search.noResults

search.searching

dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
FOTO: HENK RISWICK


FOTO: MARK PASVEER


RUNDVEEHOUDERIJ


Brok bijvoeren


Het grasrantsoen is zoals gezegd al- lesbepalend voor de krachtvoergift. “Doel van de gift is om het ruw eiwit in het rantsoen te corrigeren met energierijke producten”, legt Tjoonk uit. “Als de hoeveelheid ruw eiwit en de energie in het rantsoen optimaal op elkaar is afgestemd, dan daalt het ureumgehalte in melk en urine. Kortom, de koe gaat efficiënter met stikstof om. De ammoniakemissie


is hierdoor ook lager.” Van Ittersum merkt in de praktijk dat boeren vaak een te eiwitrijke brok bijvoeren tijdens het weiden. Als er op stal mais wordt bijgevoerd, zit er vaak veel traag zetmeel in het rantsoen. Een brok met 10 tot 13% ruw eiwit is dan voldoende. “Schaaf dit op tijd bij als het nodig is. Een weekje een hoog ureum klinkt niet erg, maar kan voor langere tijd schade aanrichten.”


een eerste snede – te bemesten. Veel boeren moeten nog drijfmest uitrijden. Het lijkt misschien een puzzel wanneer je dat gaat doen ten opzichte van het beweiden, want je wilt niet kort voor inscharen nog bemesten met drijfmest. Van Ittersum attendeert erop dat er meer gras staat dan de meeste mensen denken. “Bij voldoende draag- kracht en genoeg gras kan je het beste zo snel mogelijk de koeien erop doen.” In dat geval geldt dat bemesten alleen voor maailand van toepassing is.


“Door met je voet het gras plat te drukken, kan je zien of het te lang is om mest over uit te rijden”, legt hij uit. “Als het gras plat blijft liggen, dan blijft de mest op het gras. Als het weer overeind komt, dan komt de mest op de bodem terecht. Dan kun je het nog goed bemesten.” Bij veel boeren die de koeien in het najaar nog buiten hadden, is het gras nu relatief kort.


Mest uitrijden op te lang gras is niet aan te raden. Mestdeeltjes blijven hangen op het gras. Met maaien be- landt het in de kuil en dat is slecht voor de conservering, legt Leo Tjoonk, nutritionist rundvee bij Agrifirm, uit. Dit komt de smakelijkheid van het gras niet ten goede. Voor het bemesten van maailand adviseert hij een gift van ongeveer 25 kuub per hectare. Voor grasland dat bestemd is om te weiden, kan – wanneer je problemen hebt met de opslag van de mest en het gras nog in de groei moet komen – 10 tot 15 kuub mest worden uitgere- den. Maar zijn voorkeur gaat uit om op de weidepercelen geen drijfmest meer uit te rijden.


Als het gras te lang is, blijft drijfmest erop hangen. Het is beter om dan kunst- mest te strooien. Anders kan de grasgroei stagneren omdat de bodem te weinig kali bevat.


50


Draagkracht percelen Van Ittersum raadt aan om vroeg te beginnen met ‘voor- weiden’ en in het begin van het weideseizoen 80% van het rantsoen op stal aan te bieden. “Bij veel grasgroei moet je snel het aantal geplande weide-uren realiseren. De ervaring leert dat de grasgroei vaak hoger is dan ver- wacht. Dat zorgt al snel voor veel weideverliezen, slech- tere grasopname en slechtere graskwaliteit.” Volgens van Ittersum is het wel belangrijk om niet te vroeg te beginnen met weiden. “De draagkracht van de percelen is bepalend. Wacht dus rustig af en voorkom schade aan het grasland.” Paul Dobbelaar, docent veevoeding aan de Universi- teit Utrecht, legt uit dat als de bodem te lang nat blijft, je de eerste snede het beste kan inkuilen. “Dan kan het perceel hopelijk verder drogen. Streef bij het inkuilen


BOERDERIJ 105 — no. 28 (7 april 2020)


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72  |  Page 73  |  Page 74  |  Page 75  |  Page 76  |  Page 77  |  Page 78  |  Page 79  |  Page 80  |  Page 81  |  Page 82  |  Page 83  |  Page 84  |  Page 85  |  Page 86  |  Page 87  |  Page 88  |  Page 89  |  Page 90  |  Page 91  |  Page 92  |  Page 93  |  Page 94  |  Page 95  |  Page 96  |  Page 97  |  Page 98  |  Page 99  |  Page 100  |  Page 101  |  Page 102  |  Page 103  |  Page 104  |  Page 105  |  Page 106  |  Page 107  |  Page 108  |  Page 109  |  Page 110  |  Page 111  |  Page 112  |  Page 113  |  Page 114  |  Page 115  |  Page 116  |  Page 117  |  Page 118  |  Page 119  |  Page 120  |  Page 121  |  Page 122  |  Page 123  |  Page 124