This page contains a Flash digital edition of a book.
van veel meer relevante informatie en met veel meer zekerheid een inschatting kunnen maken van de prestaties die voor de investeringen zullen worden gerealiseerd.”


Bruggen


Als voorbeeld noemt Peelen bruggen. “Die zijn opgebouwd uit vele componenten; rijdekken, voegen, opleggingen, et cete- ra. Al deze componenten zijn aan degradatie onderhevig en vragen om beheer en onderhoud. Een totaalconcept voor AM voor bruggen behoeft daarom informatie over al deze com- ponenten. Echter, in de TNO visie kunnen hier op vrij algeme- ne gronden prioriteiten gesteld worden om de aandacht en middelen zo effectief mogelijk te richten. Deze prioriteiten ko- men voort uit de belangrijkste technische degradatieproces- sen waar onze bruggen de komende jaren mee te maken krij- gen en de mate waarin informatie van MMS-systemen kan bijdragen aan het besparen van kosten en het verhogen van de prestaties.”


In de visie van TNO zijn de belangrijkste degradatiemechanis- men voor bruggen die de komende zes jaar naar boven zullen komen de vermoeiing van stalen bruggen en componenten, zoals rijdekken, hoofddraagconstructies, voegovergangen, tui- en en de corrosie van betonnen bruggen. Denk daarbij aan kolommen, rijdekken en voorspanning.Andere degradatieme- chanismen die belangrijk zijn maar hier geen prioriteit krijgen, zijn opgelegde vervormingen (deformaties), ASR van beton, vermoeiing van betonstaal en corrosie van stalen onderdelen. Hieruit volgt de ontwikkeling van toegespitste MMS- systemen voor bruggen en componenten. In de visie van TNO wordt hierbij de nadruk gelegd twee majeure processen, namelijk de vermoeiing van staal en de corrosie van betonstaal.


wegbeheerders naar verbetering van ondersteuning in hun be- slissingen voor beheer en onderhoud alleen maar verder toe. Deze verbetering kan in de visie van TNO tot stand komen wanneer tussen 2014 en 2020 ingezet wordt op het nauwkeu- riger, frequenter en betrouwbaarder meten van degradatiepro- cessen en het beschikbaar hebben van de relevante informatie van infraobjecten en hun condities. Daarnaast is ook het juist vertalen van degradatie- en onderhoudsprocessen naar pres- taties, zoals veiligheid, beschikbaarheid en kosten van belang en het beschikbaar hebben van betrouwbare tools voor het doorrekenen van onderhoudsopties en scenario’s.


Mookhoek: “Elk van deze uitdagingen behoeft vervolgens een aanpak voor zowel bruggen als wegen om tot een totaalcon- cept voor AM te komen. De cruciale onderwerpen voor de ont- wikkeling van zo’n concept zijn in de Road Map specifi ek ge- noemd. Wanneer in elk van deze vier uitdagingen de juiste stappen worden genomen en wordt geïnvesteerd dan zal de Asset Manager van 2020 beslissingen kunnen nemen op basis


Vermoeiing stalen bruggen en componenten Het eerste MMS-systeem dat volgens TNO ontwikkeld zou moeten worden, is gerelateerd aan stalen rijdekken (2014 - 2015), het tweede voor de hoofddraagconstructie, die aan het eerste gekoppeld wordt (2015 - 2020). Voor beiden geldt dat in eerste instantie een systeem voor een enkele brug voorgesteld wordt en daarna voor een areaal van bruggen. De ontwikkeling neemt een aantal tussenstappen voor tuien, voegen (lamellen, vingervoegen, et cetera) en stalen sluisdeuren.


Om zinvol vermoeiing van staal in infraconstructies te me- ten, is het nodig scheurinitiatie en scheurgroei te kunnen me- ten. Een probleem dat daarbij opkomt, zijn de verschillen in schaal; het meten aan scheuren van slechts enkele millime- ters in brugdelen van enkele tot enkele honderden meters lang. Met die reden wordt als eerste (tot 2015) een ontwik- keling voorgesteld om te komen tot een meetsysteem dat in staat is nauwkeurig en betrouwbaar scheuren over het gehele kunstwerk te registreren en te blijven volgen. Peelen: “Goe- de mogelijkheden bestaan hiervoor door het meten van lokale rekken, met akoestische emissie gecombineerd in een sensor- netwerk. Als vervolgstap hierop kunnen technieken op basis van bijvoorbeeld GuidedWaves ontwikkeld worden. Hiermee is aangetoond dat scheuren met veel meer nauwkeurigheid ge- kwantifi ceerd kunnen worden. Dit is met name later voor ver-


Nr.7/8 - 2013 OTAR TAR


O Nr.7/8 - 2013 25


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72