search.noResults

search.searching

dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
RUNDVEEHOUDERIJ ACTUEEL Kink in kabel snijmaisonderzoek


De presentatie van de officiële snij- maiscijfers voor de Aanbevelende Rassenlijst 2020, die gepland stond op 29 november, loopt ze- ker twee weken vertraging op.


Achterliggende reden van de vertraging van de presentatie is een technische storing die aan het licht kwam tijdens de verwerking van de cijfers uit de eerste proefvelden van Open Teelten van Wageningen University & Research. Uit de eerste analyses van de cijfers bleek een grotere spreiding in de resultaten per ras. Dit is terug te voeren op de monsternameapparatuur aanwezig op de nieuwe hakselaar van Open Teelten. Deze monstername werkt op een andere wijze dan de apparatuur op de oude machi- ne. In het oude systeem werd een continue stroom van mais verzameld voor het verza- melmonster terwijl de nieuwe apparatuur om de zoveel tijd een beetje mais afgeeft voor het verzamelmonster. Dit heeft geleid tot meer variatie in drogestofgehalte en zetmeelgehalte en daarmee in kwaliteit. Na de ontdekking van het probleem is de oude machine weer van stal gehaald en zijn volgens Open Teelten van elk ras van elke vroegheidsgroep nog monsters verzameld met de oude monsternameapparatuur. Het probleem is aangekaart bij de


De wijze van monsteren van de maisrassen in proefvelden leidde tot meer variatie in droge stof en kwaliteit dan normaal.


Raad voor Plantenrassen, de instantie die elk jaar toeziet op de uitvoering van het onderzoek en de betrouwbaarheid van de resultaten. Er wordt nu bekeken op welke wijze toch cijfers op verantwoorde manier gepresenteerd kunnen worden. Het protocol van het rassenonderzoek is daarbij leidend. Daarin staat dat voor elk ras per proefveld een betrouwbaar cijfer moet worden gegenereerd. Alleen betrouw-


bare resultaten worden meegenomen in de Aanbevelende Rassenlijst.


De kwekers hebben overigens geen stem in de procedure. Er wordt gewerkt volgens een protocol en de beslissing of de cijfers betrouwbaar genoeg zijn ligt puur en alleen bij de Raad voor Plantenrassen. De kwekers zijn zeer benieuwd naar de cijfers. Zij krij- gen tekst en uitleg op de vergadering, die nu gepland staat op 12 december.


Groot verschil tussen opbrengstpotentieel en praktijkopbrengst ruwvoer


Ruwvoeropbrengsten kunnen veel beter. De genetische aanleg is namelijk veel hoger dan werkelijk gerealiseerd.


De praktijk haalt voor snij- mais gemiddeld 15,8 ton droge stof opbrengst per hectare. Op grasland ligt dat cijfer op 10,8 ton. Het genetisch opbrengst- potentieel ligt echter op 22,7 ton droge stof voor snijmais en voor gras op 15,7 ton droge stof. Dat blijkt uit de presentaties gegeven tijdens een bijeen- komst voor de onderzoeksre- sultaten in pps Ruwvoer en Bodem.


60


De logische vraag is hoe het verschil tot stand komt. Daartoe is naast het potentieel ook een drogestofopbrengst weergegeven bij beperkte waterbeschikbaarheid en bij zowel waterbeschikbaarheid en stikstofbeschikbaarheid. Deze zogenoemde ‘vensters’ kunnen per bedrijf gemaakt worden. Als praktijkopbrengst wordt dan de opbrengst bepaald met de KringloopWijzer. Via een online-tool kan de teler dan ver- schillende bedrijfsspecifieke omstandigheden invullen waar- mee ook een advies kan worden gegeven en een economische berekening om te bepalen of de actie ook zin heeft.


De internet-tool is bijna


Onder de vermindering van het stikstofemestingsniveau is de jaarlijkse opbrengsttoename van gras achterwege gebleven.


klaar, maar nu nog niet zo ver om gedeeld te worden met de praktijk. Voor de maisopbrengst wordt een stijgende lijn gevonden in de opbrengsten door de jaren


BOERDERIJ 105 — no. 10 (3 december 2019)


heen. De gemiddelde jaarlijkse toename is volgens cijfers van CBS 195 kilo droge stof per hectare voor de maisteelt, ter- wijl de toename voor grasland 0 is. Voor de mais geldt dat het grootste deel van de vooruit- gang uit genetica komt en een klein deel uit teeltomstandig- heden en optimalisatie. Voor gras is er een plus uit genetica, maar een negatief effect uit de praktijkomstandigheden waar- door het nettoresultaat in de vooruitgang 0 is. De belangrijk- ste reden voor achterblijven van meeropbrengst in de grasteelt is de vermindering van het stik- stofbemestingsniveau dat in de loop der jaren steeds verder is beperkt.


FOTO: BERT JANSEN


FOTO: HENK RISWICK


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72  |  Page 73  |  Page 74  |  Page 75  |  Page 76  |  Page 77  |  Page 78  |  Page 79  |  Page 80  |  Page 81  |  Page 82  |  Page 83  |  Page 84