This page contains a Flash digital edition of a book.
de toekomst samengebracht. Voor de brede sector van de bouw hebben we vier grote thema’s onderscheiden. Dat zijn klimaatontwikkeling, van watervei- ligheid tot duurzaamheid; mens en ge- bouw, dan moet je denken aan demo- grafische ontwikkelingen en nieuwe behoeftes als levensbestendig wonen. Een derde onderwerp is technologische ontwikkeling en de manier waarop die de bouw in de toekomst gaat bepalen. Met behulp van ICT kunnen we anders bouwen, maar het verandert ook de ma- nier waarop we werken.“


Speelt infrastructuur ook een rol binnen die thema’s? “Infrastructuur zal vooral veel fl exibeler, meer aanpasbaar moeten worden aan nieuwe mobiliteitsvragen. Dat zijn vra- gen die niet gemakkelijk te beantwoor- den zijn, maar waar we wel mee aan de slag zullen moeten. En het geldt op alle vlakken. In de stad maken veel verschil- lende soorten fietsen en scooters ge- bruik van fi etspaden en dat leidt tot te veel druk op de bestaande infrastruc- tuur. De vraag is dan waar op in te zet- ten. Dat geldt ook voor vervoer. De ont- wikkelingen gaan daar ook heel snel. Neem de elektrische auto. Kiezen we voor een uitgebreid netwerk van op- laadpalen, geven we voorrang aan con- tactloos opladen met inductie of voor rijden op waterstof? En dan is er nog de ontwikkeling van de zelfrijdende auto. We moeten overal op voorbereid zijn, fl exibel blijven.”


Maar het is toch ook van belang keuzes te maken? “Flexibiliteit is een groot thema in de in- frastructuur. Hoe kunnen we er voor zor- gen niet te snel keuzes te maken? Het kan helpen de diversiteit te koesteren, we zijn vaak geneigd voor één oplossing te kiezen. Maar nieuwe ontwikkelingen faseren zich vanuit het maatschappe- lijke belang vanzelf uit. De balans tus- sen mobiliteit, leefbaarheid en energie zal denk ik ook steeds meer het gesprek over toekomstige infrastructuur gaan bepalen.”


Wie is Majorie Jans? Majorie Jans (1968) geeft sinds maart


2015 leiding aan De Bouwcampus. Ze begon haar carrière als huisvestings- adviseur en opdrachtgever in de uti- liteitsbouw. De laatste jaren heeft Jans leiding gegeven aan de afde- ling Vormgevingsadvies, de ingeni- eurs en ontwerpers van het Rijks- vastgoedbedrijf.


Kennis delen heeft haar speciale aandacht, als associate van de Wagner Group geeft Jans les in


conceptueel hermodelleren aan diverse masterop-


leidingen zoals de EMBA Sportmanagement en de Master of Business De- velopment van de Rijksuniversiteit Groningen. Jans studeerde architectuur aan de TU Delft, Urban design aan de Universiteit van Rouen in Frankrijk en heeft aan de Rijksuniversiteit van Groningen de postdoctorale opleiding Facility Ma- nagement afgerond.


In De Bouwcampus werken opdrachtnemers en opdrachtgevers samen. Hoe bijzonder is dat?


“Ik denk dat in die samenwerking nog veel te winnen valt. Ik denk dat op- drachtnemers bijvoorbeeld meer ver- antwoordelijkheid kunnen nemen. Inno- vaties blijven vaak uit, omdat simpelweg uitgevoerd wordt wat een opdrachtge- ver verlangt, terwijl opdrachtnemers meer mee zouden kunnen denken om meer maatschappelijke waarde te cre- eren. Innovaties in de bouw- en infra- sector komen vaak van toeleveran- ciers.”


Maar de marges in de sector zijn klein. Is er wel ruimte voor risicovolle innovaties?


“Het klopt dat aanbestedingen sterk op geld gericht zijn. Daar zou aan de kant van de opdrachtgevers het een en an- der kunnen verbeteren. Vaak zien we dat op het hoogste niveau de maat- schappelijke totaalwaarde wel wordt in- gezien, maar dat op projectniveau toch op tijd en geld wordt afgerekend. Het is een belangrijke vraag voor de sec- tor hoe innoveren in een project-gedre- ven sector toch mogelijk is. Het is dan ook een van de vragen die wij op onze agenda hebben staan.”


8 Nr.8 - 2015 OTAR


In de realiteit van alledag wordt samenwerken eigenlijk ook niet gestimuleerd?


“Het klopt dat de minimale financië- le marges die we met elkaar gecreëerd hebben, samenwerking vaak belemme- ren. Maar er zijn ook goede voorbeelden en ik heb hoop dat de nieuwe genera- tie het anders gaat doen. In Eindhoven weten de high-tech-bedrijven en de maakindustrie elkaar bijvoorbeeld wel te vinden. Daar praat men in allianties en krijgen start-ups ook kansen. Daar snapt men dat uiteindelijk iedereen ge- baat is bij samenwerken en kennis de- len. Wie denkt dat kennis duur is, weet niet wat domheid kost, zeg ik dan al- tijd.”


Zou de overheid de bouw- en infrasector niet veel meer moeten helpen innoveren? “Er zijn mensen die vinden dat de bouw een topsector zou moeten zijn, maar ik denk dat de bouw- en infrasector in alle topsectoren een belangrijke rol spe- len. Wel zou meer steun kunnen komen in de vorm van startfi nancieringen voor veelbelovende initiatieven. Daar zouden zowel Economische Zaken als geves- tigde bedrijven veel meer aan kunnen doen.”


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70