This page contains a Flash digital edition of a book.
om samen je eigen bewegingskader in te richten. De D&C-contracten kenmerken zich juist door de beperkende regelge- ving en een verticale verhouding.


Bart van der Roest


Succesfactoren Wat is belangrijk voor het succes van een alliantie? Volgens Bloemsma zijn dat mensen die zich open en kwetsbaar op kunnen stellen. “Je moet elkaars belan- gen zien, herkennen en erkennen. Een volgende voorwaarde is dat je bereid bent om te onderhandelen en elkaar iets te gunnen. Zeker voor de sleutelfi guren in het project is dat essentieel. Die heb- ben bij ons dan ook allemaal een rede- lijk zwaar assessment gehad op dit ter- rein.” Ook De Bruijne vindt de houding van betrokkenen zwaar wegen. “Het is belangrijk om niet vanuit controle te wer- ken, maar vanuit vertrouwen. Je moet goed kijken welke belangen zoveel mo- gelijk gelijk te schakelen zijn, dat bete- kent vaak een gezamenlijk belang zoe- ken. En dan risico’s delen in plaats van verdelen.”


Wat volgens De Bruijne verder belangrijk is, is om de alliantie niet als nieuwe con- tractvorm te zien. “Het is in principe een samenwerkingsvorm die bij verschillen- de contractvormen toepasbaar is.” Toch vindt hij DBFM-contracten geen ideale combinatie met een alliantie. “Dan wordt het wel erg complex. Daar is de con- tractvorm gewoon minder voor geschikt. Design & Construct-contracten vind ik dan beter passen.” Bloemsma heeft hier een afwijkende mening over. Het succes van de Alliantie A2 Hooggelegen heeft als essentie dat er een continue horizon- tale (ver)binding tussen partijen is. De alliantie(contract)vorm biedt de ruimte


Voor complexe projecten Allianties zijn niet geschikt voor alle pro- jecten. Maar welk type projecten zijn ei- genlijk geschikt voor deze vorm? Bij- voorbeeld projecten die onder tijdsdruk moeten worden uitgevoerd, met veel be- langhebbenden en technisch moeilijk van aard. Van der Roest: “Die complex zijn, bijvoorbeeld qua omgevingsfacto- ren, of die snel geregeld moeten worden. Het lijkt misschien alsof het meer kost, maar uiteindelijk kost het minder. Er is minder tijd nodig voor afstemming. Dat scheelt ongelofelijk in het aantal uren.” Bloemsma: “Er moet inderdaad een be- paalde complexiteit zijn. Qua tijd, tech- niek of belangen.”


En verder?


Dat de A2-alliantie nog geen grootscha- lig vervolg heeft gekregen, is volgens Van der Roest onder andere het gevolg van een sterkere focus op DBFM-con- tracten bij Rijkswaterstaat. “Daarnaast is de hele GWW-sector redelijk conser- vatief en roept min of meer over zich- zelf af dat nieuwe samenwerkingsvor- men vaak aarzelend worden opgepakt.” Bloemsma en Van der Roest hebben sa- men op 6 december 2013 een sympo- sium georganiseerd over het onderwerp alliantie. Bloemsma: “Gelet op het aan- tal aanmeldingen is daar veel belangstel- ling voor, dat betekent dat het toch leeft. Dat er nu binnen Rijkswaterstaat weinig mee gebeurt, vind ik jammer.” Van der Roest roept op om vooral te blijven ex- perimenteren. “Vooruit blijven gaan, niet naar achteren.”


De Bruijne ziet zeker toekomst voor al- lianties. “Aannemer en opdrachtgever hebben - als je er even over doordenkt - eigenlijk alleen maar parallelle belan- gen. Voor ieder van hen is het belangrijk dat een werk op tijd wordt opgeleverd, binnen ieders budget, overeenkomstig de afgesproken kwaliteit, zonder hinder aan de omgeving en zonder geschillen.” Momenteel is hij druk met de afronding van het Generiek afweegkader voor pro- jectallianties in opdracht van Roger Mol, directeur Inkoop- en Contractmanage-


Alliantie A2 Hooggelegen


Op 1 november 2007 heeft de Combinatie Trajectum Novum (Van Hattum en Blankevoort, KWS, Boskalis, Mourik Groot Am- mers en Vialis) opdracht gekre- gen het gedeelte A2 Hooggelegen te reconstrueren en aan te sluiten op de in aanbouw zijnde Leidsche Rijn Tunnel. Het betreffende con- tract heet ‘Overeenkomst Samen- werking in Alliantieachtig Verband A2 Hooggelegen’. Het alliantie- budget bedroeg € 116.500.000 met een gemaximaliseerde incen- tive van €15.000.000. Het con- tract is inmiddels afgerond, waar- bij de contractwaarde uiteindelijk op een bedrag van €125 miljoen is uitgekomen en de fictieve in- centive meer dan19 miljoen is. De overschrijding op het contract be- droeg daarmee 7 procent, dat ver onder het landelijke gemiddelde ligt bij dergelijke projecten.


ment bij Rijkswaterstaat. De behoef- te wordt gesterkt door Cees Brandsen, hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Grote Projecten en Onderhoud. “Brand- sen vroeg mij om te organiseren dat we gesteld staan voor het vaker kunnen toe- passen van allianties in projecten. Het afweegkader dat ik schrijf is daar ook voor bedoeld. Je moet niet iedere keer opnieuw het wiel uitvinden.” Ook Van der Roest van Rijkswaterstaat ziet toe- komst voor allianties. “Wil je de markt in- derdaad in een eerder stadium betrek- ken en waar voor je geld krijgen, dan ontkom je er niet aan.” Goed nieuws van De Bruijne. Hij vertelt dat er een concre- te afspraak is om versie 0.9 van het ‘Ge- neriek afweegkader voor projectallian- ties’ toe te passen op twee projecten. “Ik verwacht dan ook dat we er daarvan één gaan uitvoeren.”


Nr.9 - 2013 OTAR O Nr.9 - 2013 TAR 11


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72