This page contains a Flash digital edition of a book.
Het einde van de levensduur van objec- ten als bruggen, tunnels en sluizen valt buiten scope van dit contract. Rijkswa- terstaat krijgt apart opdracht van de mi- nister van IenM om deze levensduur te bewaken en waar nodig stappen te ne- men om objecten te renoveren of (deels) te vervangen. Het moet dan wel duide- lijk zijn wanneer er echt sprake is van het einde van de levensduur en waarom dit het geval is. Rijkswaterstaat maakt hierbij onderscheid tussen het einde van de technische en het einde van de functionele levensduur. Als een brug bij- voorbeeld te weinig rijstroken heeft om het verkeer nog af te wikkelen, dan is er sprake van het einde van de functione- le levensduur. Door middel van aanleg (bijvoorbeeld uitbreiding van de brug of vervanging van de brug) kun je dit pro- bleem oplossen. Van het einde van de technische levensduur is sprake als het object technisch faalt of niet meer vol- doet aan de huidige wet- en regelge- ving.


Einde levensduur: wat nu? Welke oplossingen zijn mogelijk als de- len van de infrastructuur het einde van hun levensduur naderen? En welk van deze mogelijkheden heeft de voorkeur? Bij een relatief eenvoudig en niet al te kostbaar apparaat als een televisie, ligt het voor de hand om het apparaat te vervangen. Bij meer complexe objecten zoals bruggen, tunnels en sluizen, loont het de moeite om meer oplossings-


richtingen in beeld te brengen. Je kunt hierbij denken aan het met intensiever onderhoud in bedrijf houden van het ob- ject, waarbij je desnoods accepteert dat er beperkingen gelden bij het verdere gebruik van dit deel van de infrastruc- tuur (bijvoorbeeld aslastbeperkingen op objecten). Andere mogelijkheden zijn het renoveren van het object met even- tueel beperkte aanpassingen en het compleet vervangen van het kunstwerk. Kies je voor vervangen? Dan is het vaak


mogelijk om voor relatief lage meerkos- ten de functionaliteit van het nieuwe ob- ject te verbeteren. Het is belangrijk om hier een goede afweging over te maken. Na uitvoering van de vervanging ligt de situatie vaak immers weer voor decen- nia vast. En later alsnog aanpassen kost meestal een veelvoud van meteen mee- nemen.


Dit alles zal terugkomen in het kader einde levensduur. Dit kader moet een samenhangend verhaal worden waarin zowel de criteria voor het einde van de levensduur als het ontwikkelen en kie- zen van oplossingen een plek krijgen. Rijkswaterstaat verwacht dat hierdoor de programma’s voor Beheer en Onder- houd en Vervanging en Renovatie beter op elkaar gaan aansluiten doordat de behoefte vanuit beide programma’s op elkaar is afgestemd. Een integratie van deze twee programma’s ligt vanuit de systematiek van het assetmanagement voor de hand. Er is wel een grens aan de stappen die Rijkswaterstaat kan zet- ten. RWS beslist immers niet zelf over de ontwikkeling van de nationale weg- en waterinfrastructuur. Dat is het do- mein van de politiek. Maar verstandige voorstellen doen aan de politiek verant- woordelijken is natuurlijk wel een op- dracht voor Rijkswaterstaat.


Nr.4 - 2014 OTAR O Nr.4 - 2014 TAR 23


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64