This page contains a Flash digital edition of a book.
Het einde van de Koude Oorlog gooide alle relatieve zekerheden weer overhoop. Foto: NIMH (archief)


vredesoperaties, dan toch niet ten koste van de waakzaamheid tegen de boze Rus. De landmachtleiding voelde daarom weinig voor een aparte VN-opleiding. Een goed opge- leide gevechtssoldaat, zo liep de redenering, was al voor 90 procent een goede blauwhelm. En tussen het politieke uitzendbesluit en het eigenlijke vertrek resteerden altijd wel wat weekjes. Alsnog genoeg tijd om te oefenen voor de missie. Toen Buitenlandse Zaken er in de jaren zestig in slaagde om het – hierboven al genoemde – landmachtbataljon (44 Pantserinfanteriebataljon in Zuidlaren) stand-by te krijgen voor VN-missies, deed de landmachttop er alles aan om dit aanbod zo snel mogelijk weer te laten versloffen. Het VN-opleidingsprogramma werd al spoedig teruggeschroefd van twee weken (inclusief de ‘bestrijding van woelingen met rotanschild en wapenstok’) naar twee dagen. En die brachten de blauwhelmen in spe vooral door in de schoolbanken. Welke van de vier krijgsmachtdelen maakte na de Koude Oorlog de groot- ste omslag en leverde het meeste in? Dat zal altijd wel een discussie blij- ven. Bij de landmacht (en uiteraard ook bij de mariniers en de Konink- lijke Marechaussee) klinkt vaak dat het allemaal een stuk onoverzichte- lijker is geworden. Oorlogsbodem of gevechtsvliegtuig, het blijft een autonoom wapenplatform. Voor de boots on the ground is dit toch anders. Het onderscheid tus- sen combattant en non-combattant is vervaagd. Het aantal scenario’s en keuzes is haast oneindig. De morele dilemma’s leken toch vooral de land-


10 OKTOBER 2014


macht te raken. Mede naar aanlei- ding van het Srebrenica-drama ont- wikkelde het Delftse Legermuseum in 2006 bijvoorbeeld de interactieve multimedia-installatie Onder vuur. Militaire dilemma’s. ‘Een unieke experience’, zo stelde de website, ‘waarin de bezoeker aan den lijve ondervindt dat het in een crisissitu- atie vaak kiezen is uit twee kwaden.’ Moesten de blauwhelmen kiezen voor de gewonde Bosniër langs de kant van de weg? Ook als dan de eigen veiligheid in gevaar zou komen bij het volgende Servische check- point? In de Engelstalige literatuur heet dit ook wel het saving strangers dilemma. Waarom zou ik mijn eigen leven en dat van mijn maten riskeren voor mensen uit een cultuur die ik niet kan (of soms zelfs: wil) begrij- pen? Met dit soort vraagstukken hield de landmacht zich vóór 1989 eigenlijk nauwelijks bezig.


Dutch Approach


De Koninklijke Landmacht blijft worstelen met de vraag wat het nu eigenlijk is: een conventionele strijd- macht voor alle geweldsniveaus? Of een robuuste expeditionaire stabiliseringsmacht? Dit laatste was in 2013 de voorkeur van het Haagse Instituut Clingendael in zijn Visie op de krijgsmacht van de toekomst. Of toch allebei? De deelname aan UNIFIL in Libanon had al een simpele waarheid aangetoond: uit- eindelijk draait alles om voortzet- tingsvermogen. Nederland stuurde een bataljon (Dutchbatt), maar feitelijk was een hele brigade bezig met het opleiden en uitzenden van blauwhelmen voor Libanon.


Een even lastige vraag voor de landmacht is welke lessen uit het recente verleden zijn te trekken. Na Libanon was de consensus: dit was eens, maar nooit weer. De land- macht legde de lessons learned vast in een paar A4’tjes. Die vervolgens in de bureaula verdwenen. Binnen de landmacht vinden velen dat het belangrijk is om de ervaringen van Uruzgan vast te leggen. Maar ande- ren zien daar het nut minder van in. Zij waarschuwen dat men juist niet moet proberen om de laatste oorlog nóg een keer te voeren. En waren de resultaten in Uruzgan wel zo blij- vend geweest? Een jaar na het ver- trek van Task Force Uruzgan (2010) erkende de nieuwe Amerikaanse commandant in elk geval dat hij nog nooit van een Dutch Approach had gehoord.


Boeiend ook is de vraag of de land- macht nu, meer dan voorheen, een krijgersmentaliteit moet koesteren. Binnen de Vereniging Infanterie Offi- cieren werd in 2012 het ‘Credo van de Krijger’ opgesteld: ‘Ik neem het initiatief om te vechten en heb de wil om mijn tegenstander te verslaan, ook ten koste van mijzelf. […] Want wij beslissen het gevecht.’ Het credo hing nauw samen met een stevige discussie binnen de landmacht. Veel officieren hadden het gevoel dat in Uruzgan te terughoudend was opge- treden. Brigadegeneraal Otto van Wiggen, tevens wapenoudste van de infanterie, schreef: ‘We hebben vaak niet meer dan stevig van ons afge- beten. Vechten wil zeggen dat je een beslissing probeert te forceren.’ Deze neiging om gevechten te vermijden zou zijn voortgevloeid uit de vrees om al te agressief over te komen, terwijl wederopbouw het officiële devies was. Fysieke uitschakeling van de taliban was niet het hoofd- doel. De prioriteit lag bij het ‘irrele- vant maken’ van deze tegenstanders. De officieren ergerden zich ook aan wat ze beschouwden als micro- management vanuit Den Haag. Het credo is bedoeld om duidelijk- heid te scheppen: de infanterist is eerst en vooral een krijger die des- noods zijn leven in de waagschaal stelt. Zal dit accent op krijgshaftig- heid aanslaan bij politici en burger? Tweehonderd jaar na haar geboorte is dat misschien wel de belangrijkste uitdaging voor de Koninklijke Land- macht.


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65