This page contains a Flash digital edition of a book.
Militair food festival


Op 27 en 28 februari organiseerde het Nationaal Militair Museum voor de eerste keer het Festival Militair Culinair plaats. Doel: kennismaken met de militaire keuken. En met de kookdemonstraties van tv-chef Rudolph van Veen, die in zijn diensttijd wel eens in een veldkeuken heeft gestaan. Achter een laag hekje staan vrijwilligers te roeren in pannen en potten van weleer. De tijden van Napoleon, de Eerste en Tweede Wereldoorlog herleven. De enige plek waar daadwer- kelijk militairen te vinden zijn, is bij de mobiele satellietkeu- ken, de MSK. Daar staat Michel van der Vliet (47), tegenwoor- dig Beheerder Militaire Claim, maar van oorsprong kok in hart en nieren. Uitgezonden geweest naar Mali, Cambodja en Afghanistan. “Over de hele wereld hebben wij gekookt, en nu staan we hier met zo’n apparaat.” Er klinkt wat spijt in zijn stem. “Hierin worden de maaltijden opgewarmd, in trans- portboxen gedaan en door de foerier per vrachtwagen naar de mannen in het veld gebracht. Met koken heeft dit weinig meer te maken.” Van der Vliet begrijpt wel waarom Defensie deze keuze heeft gemaakt: “Wat betreft voedselveiligheid wil- len ze geen enkel risico lopen.” En het is een stuk goedkoper:


Victor van den Hoed (l) en Michel van der Vliet in de mobiele satellietkeuken. Foto: Karin Stroo


twee man kunnen de volledige MSK bedienen. De magne- tronmaaltijden worden vandaag uitgedeeld aan het belang- stellende publiek. Met zo’n 5000 bezoekers is het Festival Militair Culinair een groot succes. De organisatie is dan ook vast van plan volgend jaar een tweede editie te houden. (KS)


Posttraumatische stress na uitzending


In het prestigieuze tijdschrift The Lancet (nr. 1, januari 2016) stond een artikel over Nederlandse veteranen. Onderzoekers van de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg beschrijven daarin de resultaten van hun studie naar posttraumatische stress bij veteranen na terugkeer van uitzending. Zij volgen een deel van de veteranen die zijn uitgezonden naar Afghani- stan over een periode van tien jaar. In het artikel staat hoe het met de veteranen gaat, vijf jaar na de missie. De deelnemers aan het onderzoek zijn in drie groepen te verdelen (zie figuur 1). De eerste groep heeft niet of nauwelijks last van symp- tomen van posttraumatische stress direct na terugkeer van de missie; ook niet na verloop van tijd. De meeste veteranen (818; 85 procent) behoren tot deze stabiele groep. Een kleiner aantal veteranen hoort bij de herstelgroep (91; 9 procent). Bij


Gesprek Defensie met drie Uruzganveteranen


Drie Uruzganveteranen hebben begin maart een gesprek gehad met minister Jeanine Hennis-Plasschaert over de ontoereikende nazorg die zij van Defensie kregen nadat zij gewond raakten bij een bermbomaanslag in 2009. Dat gesprek was een half jaar eerder al toegezegd, nadat de Veteranenombudsman in een kritisch rapport schreef dat de drie nauwelijks gerichte begeleiding hebben gekre- gen (zie Check Up 8-2015). Daarop beloofde Defensie in gesprek te gaan met de veteranen. “Daar is toegegeven dat er fouten zijn gemaakt”, zegt hun advocaat Michael Ruperti desgevraagd tegen RTL Nieuws. “De minister heeft ook spijt betuigd en geluisterd naar het verhaal van de mannen.” Defensie heeft beloofd zich in te spannen om de drie te behouden voor de krijgsmacht. (JR)


april 2016 9


veteranen in deze groep nemen de symptomen van posttrau- matische stress sterk toe na terugkeer van de uitzending; na verloop van tijd nemen de klachten af. De derde groep valt op. De veteranen in deze groep hebben tot twee jaar na terug- keer niet of nauwelijks symptomen van posttraumatische stress. Maar na vijf jaar zijn die symptomen er wel. Blijkbaar is er voor deze kleine groep veteranen (51; 5 procent) sprake van een verlate reactie. Volgens de onderzoekers is het nodig om veteranen na terugkeer van uitzending over een langere periode te screenen op gezondheidsklachten. Op die manier kun je bij veteranen een eventuele verslechtering van de gezondheid tijdig op het spoor komen en hen zo vroeg moge- lijk passende zorg bieden. En dat laatste is belangrijk: snel passende zorg hangt samen met een positief effect op de men- tale gezondheid. (JD)


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65