This page contains a Flash digital edition of a book.
een normale landingsstrip een noodlanding maken. Dat ging fout waarbij wederom alle inzittenden omkwamen.”


Leuk


Natuurlijk was het bij de MLD niet allemaal kommer en kwel, er deden zich ook leuke momenten voor. “Ja, ik herinner me dat we regelmatig met prominente Nederlanders rond- vlogen. Ik heb de latere minister-president Piet de Jong aan boord gehad, evenals toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns. Maar ook de joodse moppentapper Max Tail- leur. We konden ons zeer op zulke vluchten verheugen. Dat was niet zozeer om die bezoe- kers zelf, maar vooral vanwege het feit dat we dan extra rantsoenen kregen. Normaal vlogen we namelijk op noodrantsoenen en daar werd je op de lange duur ook niet vrolijk van.” Mulder legt uit dat ze drie verschillende mis- sies vlogen. “In de eerste plaats waren dat wat we noemden zoekslagmissies. Dat waren lange patrouillevluchten van soms wel acht


Tijdens een ferryvlucht werden er soms ook personen meegenomen, bijvoorbeeld het gezin van onze commandant naar Hollandia, waarbij onze Mariner onder het mom van een oefen- vlucht als taxi werd gebruikt. Tja, dat kon toen allemaal…”


Papoea’s


Net als veel andere Nieuw-Guineaveteranen denkt Mulder met veel genegenheid terug aan de Papoea’s, hoewel hij, zoals hij zelf zegt, ‘eigenlijk niet bijzonder veel contact met ze heeft gehad’. “We mochten officieel niet eens in de kampong komen. Toch voelde en voel ik me nog verbonden met hen en we proberen via reünieverenigingen nog wat steun en soelaas te bieden. Ik vond ook dat we, zeker in de periode dat ik er zat, veel te weinig hebben gedaan om het gebied te ontwikkelen. Ja, een beetje olie- winning, maar dat was het dan ook wel. Dat we het eiland uiteindelijk toch moesten overdra- gen, heeft me bijzonder geraakt en ons verblijf in Nieuw-Guinea in feite tot een zinloos avon- tuur gemaakt.”


Hij vindt al met al, als hij terugkijkt, dat er te negatief over de Mariners wordt geoordeeld. “Ze waren niet volmaakt, maar de termen ‘vlie- gende doodskisten’ en ‘crewkillers’ zijn me veel te zwaar, zeker als je in ogenschouw neemt hoeveel ellende had kunnen worden voorko- men door ietsje beter na te denken. Ik vind een herwaardering van deze toestellen dan ook wel op z’n plaats”, stelt Mulder.


Boordschutter Kees Mulder achter de stuurknuppel. Foto: privécollectie Kees Mulder


uur waarbij we regelmatig en in het geheim ook boven de Indonesische territoriale ruimte vlogen. Ik herinner me dat we bij zo’n gelegen- heid zagen hoe de Indonesiërs op een klein eilandje bezig waren een vliegstrip aan te leggen. Ze vonden het niet leuk toen we over- kwamen. Overigens heb ik nooit daadwerke- lijke gevechten meegemaakt, dat gebeurde pas later. Spannend was het wel: we hadden vier punt 50-mitrailleurs aan boord die we tijdens zulke vluchten ook regelmatig uitprobeerden. Daarnaast vlogen we kampongpatrouilles. We hadden met bevriende Papoea’s de afspraak dat ze twee boomstammen gekruist zouden neerleggen als er Indonesische infiltranten in de buurt waren. Vanuit de lucht konden we dat vervolgens heel makkelijk controleren. En ten slotte deden we zogenoemde ferryvluchten. Dat was een soort boodschappendienst waarbij we allerhande dingen van A naar B brachten.


22 NOVEMBER 2013


“En of ik het met de kennis van nu nog eens zou overdoen? Nee, dat denk ik niet. Terugkij- kend typeerde ik mijn verblijf daar als ‘zinloos’ en eigenlijk dacht ik er begin jaren zestig ook al zo over. Na terugkeer werd ik geplaatst op Hr.Ms. Karel Doorman en we zouden vanwege de oplopende spanningen met Indonesië met het smaldeel naar Nieuw-Guinea gaan. Los van het feit dat ik eigenlijk wilde gaan trouwen, zag ik een tweede keer Nieuw-Guinea totaal niet zitten en ik heb toen de dienst verlaten. Ik zou overigens nu best nog eens terug willen gaan om te kijken wat er van het land is geworden. Tot op heden is dat er echter nog niet van gekomen.” Hij vervolgt: “Over één ding kan ik me na al die jaren nog steeds vreselijk kwaad maken en dat is de manier waarop er met de nabestaanden werd omgegaan. Na het verongelukken van een dierbare bracht de vlootaalmoezenier of -predi- kant de onheilsboodschap over en dat was het dan ook wel. Verder geen nazorg of begeleiding en verder ook geen belangstelling meer vanuit de marine. Schandalig. Op dit punt hoef je wat mij betreft dan ook niet te zeuren over ‘die goeie ouwe tijd’, dat is tegenwoordig godzij- dank stukken beter geregeld!”


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64