This page contains a Flash digital edition of a book.
behandeld zouden worden. “Je moest voor je eigen veiligheid maar zien hoe je wegkwam.” Haar zus, die bij de Neder- landse troepen haar echtgenoot had ont- moet, vertrok met hem naar Nederland. Toen Landwaard-Schut een oproep zag om als vrijwilliger mee te helpen een hospitaal op te bouwen in Nieuw- Guinea, greep ze die kans dan ook met beide handen aan. Na wat gedoe om aan een paspoort te komen, waarbij de kiene verpleegster een paar ambtenaren om de tuin leidde, vertrok ze op 21-jarige leef- tijd samen met negentien andere vrijwil- ligsters, onder begeleiding van kapitein Schotman, via Australië naar Ifar in Nieuw-Guinea. “Join the navy and see the world was toen mijn lijfspreuk”, vertelt zij grinnikend. In Ifar, een garnizoensplaats en hoofd- kwartier van de landmacht in Nieuw- Guinea, stonden een paar Amerikaanse quonset-hutten (barakken) en het gebouw dat als hoofdkwartier had gediend van generaal MacArthur. Er waren drie zusters aanwezig en verder was er niet veel. Hier werden militairen van het KNIL en de Koninklijke Land- macht verpleegd, maar burgers werden ook toegelaten. “Wat me meteen opviel, was dat het zo stil was in Nieuw-Guinea. In Indonesië hoorde je veel geschiet, maar hier was natuurlijk geen oorlog.”


Naar Nederland


De vrijwilligsters waren vooraf gewaar- schuwd dat ze niet op de avances van de gewonde militairen moesten ingaan, die hadden immers al negen maanden lang geen vrouwen gezien. Ze kreeg uitnodigingen voor feestjes bij de vleet, maar over eventuele contacten wil de oud-verpleegsters niet veel kwijt. Ja, er was een vriendje Piet, een hospik, en er was later ook een militair sportinstruc- teur waar ze serieuze trouwplannen mee had. Daar kwam het echter nooit van. Lang heeft ze ook niet meer in de verpleging kunnen werken in Ifar, want ze werd ernstig ziek en raakte daarna zo verzwakt dat ze de rest van haar tijd in de linnenkamer dienstdeed. Aanvankelijk was zij uitgezonden voor één jaar, maar het werden er vier. “Pas na twee jaar kwamen er burgerverpleeg- sters om ons af te lossen, maar toen konden we Indonesië niet meer in. De Nederlandse verpleegsters werden uit- eindelijk afgelost door MILVA’s.” Toen het hospitaal van de landmacht naar de marine werd overgeheveld, moesten de verpleegsters naar Neder- land. Van het oorspronkelijk clubje van


46 APRIL 2013


Op de Sibajak naar Nederland. Foto: privécollectie Jos Landwaard-Schut


negentien vrijwillige verpleegsters was inmiddels een groot aantal getrouwd met Nederlanders. Landwaard-Schut vertrok uiteindelijk met drie anderen van haar clubje in maart met de Sibajak naar Nederland. “Wij zaten samen in een hut, de troepen lagen in het ruim.” Na zes weken kwam ze aan in een koud en mistig Rotterdam, van daaruit werd ze in een pension in Scheveningen ondergebracht en tewerkgesteld in het militair sanatorium in Amersfoort. Daarna werkte zij nog in verschillende ziekenhuizen, maar op een gegeven moment bleek ze allergisch voor desin- fecteermiddel, dat was meteen het einde van haar verpleegcarrière. Ze trouwde en ging in 1964 op kantoor werken.


Weerzien Jarenlang dacht ze niet meer zoveel aan


haar tijd in Indonesië en Nieuw-Guinea, tot op een dag de echtgenoot van een oud-collega van haar, kapitein Van Gulik, zich voor de voormalige vrijwil- ligsters wilde inzetten om onderschei- dingen aan te vragen. “Verpleegsters van het Rode Kruis waren ook veteranen geworden, dus waarom zij niet?”, zo vroeg de kapitein zich af. Gelukkig kon Landwaard-Schut nog alle papieren overleggen en in 1997 was het moment daar: in een mooie ceremoniële setting in de inmiddels opgeheven Kolonel Sixkazerne in Amsterdam ontving zij het Nieuw-Guinea Herinneringskruis en het Ereteken voor Orde en Vrede. “Het Wilhelmus werd toen ook gespeeld, dat vond ik wel indrukwekkend”, verklaart Landwaard-Schut.


Sinds die tijd ging ze ook wat vaker naar reünies en ze had nog contact met een paar oud-verpleegsters uit haar clubje, maar terug naar Indonesië, haar geboorteland, was ze in al die jaren nog nooit geweest. Tot er een speciale vete- ranenreis werd georganiseerd, in 1998. Het toeval wilde dat de reisleider, Frits Bakker, een van de mariniers bleek te zijn die destijds vaak op de Nederlandse post in Tangoel, dichtbij haar huis, kwam. Dat ontdekten ze toen ze tijdens de veteranenreis op die bewuste plek halt hielden. “Ah Jos, was jij dat?”, riep de oud-marinier verbaasd uit. “Ik had je niet herkend, je was toen zo’n mollig kind.”


Mede door deze toevallige ontmoeting heeft Landwaard-Schut goede herinne- ringen aan de veteranenreis. Bovendien wil ze niet nalaten om haar reisgenoten, de ex-militairen, als ‘onze bevrijders’ te betitelen. Nog een keer terug naar haar geboorteland zit er echter niet meer in. Ze is niet meer zo piep en er was in Indonesië ook veel veranderd, volgens haar niet ten goede. “Onder de Neder- landers hadden we bijvoorbeeld nog gewoon goed drinkbaar kraanwater, nu moet je alles uit flesjes drinken. Boven- dien is het een troep op straat, met een wirwar van kraampjes, het was vroeger veel netter. En de moslims? Die waren vroeger niet gesluierd, nu zijn ze alle- maal bedekt en hoor je vijf keer per dag de oproep tot gebed. Nee, ik wil niet meer terug naar Indonesië, het is daar ook veel te warm.”


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64