This page contains a Flash digital edition of a book.
"M


ijn vader Willem Roskam was gediplomeerd mede- werker op de proeftuin van de afdeling Tuinbouw


plantenteelt van de Landbouwhogeschool in Wageningen en conciërge van het laboratorium. Hij was een bescheiden man, integer, wars van onrecht en raadslid in Wageningen voor de SDAP, de voorganger van de PvdA. Mijn moe- der Janna Roskam-van Roest had een open oog en hart voor alles wat zorg nodig had. Net als mijn vader verafschuwde zij onrecht. Het sprak voor hen vanzelf dat ze in de oorlog in opstand kwamen tegen de wrede, mensonterende maat- regelen van de Duitse bezetter tegen joden”, vertelt Jaap Roskam.


“Hoewel ze wisten welke gevaren hulp aan joden inhield voor hen, mij en mijn jongere broers Henk en Wim, stelden ze ons conciërge- huis voor hen open. De eerste onderduiker was in oktober 1942 Meijer Wolder, een 40-jarige joodse Amsterdammer. Een tabakshandelaar. Een heel intelligente man. Hij kon zijn lot echter niet verdragen. Maart 1943 pleegde hij zelfmoord. Ik ontdekte het toen ik uit school kwam. We hebben hem in het geheim moeten begraven. Na de bevrijding is hij herbegraven op de joodse begraafplaats in Wageningen”, aldus Roskam.


Zeven joodse onderduikers Vlak na het begraven van Meijer Wolder nam


de familie Roskam zeven joodse onderduikers in huis. “Als eerste kwam het 50-jarige echt- paar Roth, daarna Käthe Glaser, een dame van middelbare leeftijd, toen mevrouw Celine Spet en haar dochter Joke Boeve, Wim van ’t Hof en de 16-jarige Bert Polak. De vader van Bert, ir. M.W. Polak, lector aan de Landbouwhoge- school in Wageningen, en zijn zusjes waren verspreid over heel Nederland ondergedoken. Hun moeder was overleden. Bert was voor mijn in 1941 geboren broertje Wim een grote broer en voor mij een neef uit Alkmaar”, vertelt Roskam. Het verzorgen en voeden van de onderduikers en de familie Roskam in het conciërgehuis was uiteraard geen sinecure, zegt hij. “We mochten niet opvallen door grote bestellingen. Dat zou tijdens de Duitse bezetting argwaan wekken. We moesten voor de buitenwereld een gezin van vijf personen blijven. Ik ging bijvoorbeeld naar drie verschillende kruideniers om bood- schappen te doen. Naarmate de oorlog langer duurde en de voedselsituatie steeds slechter werd, ging ik ook naar de boeren voor aardap- pelen, groenten, fruit, tarwe en rogge.” Roskam vervolgt: “De illegaliteit sprong bij met geld en valse persoonsbewijzen. Die waren nodig om de bonkaarten af te halen voor het kopen van levensmiddelen. Ik werd er als min- der opvallende snotaap op uit gestuurd om die kaarten op het distributiekantoor af te halen.


Marineman Jaap Roskam. Foto: privécollectie Jaap Roskam


Ik deed alles na schooltijd. Ik kwam niet meer toe aan het maken van huiswerk voor de eerste klas van de Handelsdagschool. Het gevolg was dat ik niet overging naar de tweede klas.”


De overval Op 21 september 1943 liep het spaak. De jonge


onderduiker Bert Polak stond in de bijkeuken. Plotseling stormden twee Nederlandse leden van de Duitse Sicherheitsdienst naar binnen. Eén SD’er liep de huiskamer in en bedreigde met zijn pistool de aanwezige onderduikers. “Mijn moeder werd ook bedreigd en verhoord. Bert werd zelfs driemaal verhoord, maar bleef volhouden dat hij ons neefje uit Alkmaar was. Ik kwam net uit school en werd ook indringend verhoord door de twee SD’ers. Ook ik hield vol dat Bert een neefje uit Alkmaar was en een poosje bij ons logeerde”, vertelt Roskam. “Ze dreven de onderduikers in een hoek om ze mee te nemen. Vlak voor hun aftocht besloten ze mevrouw Roth later op te halen, omdat ze de vorige avond gestruikeld was en niet goed kon lopen. Haar man namen ze wel mee. De vijf meegenomen onderduikers hebben de oorlog niet overleefd. Mijn moeder werd niet opgepakt, maar vreselijk uitgescholden door de foute commissaris van politie van Wageningen, die op een motor met zijspan naar ons huis was gekomen. Mijn vader was op dat moment in de tuin van de hogeschool. Ik liep naar buiten naar mijn konijnen. Ik rommelde wat met een van de hokken en hing er een jutezak voor. Een van de SD’ers was me achterna gekomen en vroeg waarom ik dat deed. Ik vertelde hem dat een van de voedsters jongen had gekregen en niet mocht worden gestoord. In dat hok zat geen konijn, maar stond het radiotoestel


APRIL 2013 19


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64