This page contains a Flash digital edition of a book.
periode zijn de putten ontgraven tot een diepte van ongeveer 5 meter en vervolgens afgesloten met onderwaterbeton voor- zien van trekankers. Klarenbeek: “Bijkomend fenomeen was dat de vertrekkuip erg kort op het spoortalud zat. Om passe- ren van het voorscherm mogelijk te maken, hebben wij beslo- ten hier een extra, anderhalve meter dikke CSM-wand op te trekken; ongewapend en van een speciaal mengsel waardoor wij er met de boorinstallatie doorheen konden boren.”


Gesloten frontboring De boring is uitgevoerd middels een (gestuurde) gesloten frontboring waarbij met behulp van een lasertheodoliet met elektronische afstandmeting en hoekmeting de positie van het schild wordt bepaald. Als boorinstallatie is het type Herren- knecht AVN gekozen, waarbij de voorzijde is afgesloten van de ruimte in de volgbuis en onder het grondwaterniveau kan worden gewerkt. In deze volgbuis bevindt zich de apparatuur om de boorkop aan te drijven. Bij grote diameters zoals in dit geval, gebeurt dat elektrisch (960 volt) en wordt de aandrijving bij de boorkop omgezet in hydrauliek. Met behulp van hydrau- lische vijzels die in de kuip staan opgesteld, wordt de kop en de volgbuis naar voren geperst terwijl ook boorvloeistof, ge- mengd met betonniet naar voren wordt gepompt. Deze mengt zich met de door het ronddraaiende freesrad losgewoelde grond. Dit mengsel belandt vervolgens in de mengkamer, ach- ter de boorkamer en middels afsluiters wordt het mengsel via een buizensysteem gecontroleerd naar buiten af gevoerd.


Zodra boorkop en volgbuis zijn weggeperst, wordt telkens een GVK-buissectie ingelaten en doorgeperst. Elk nieuwe buissectie van bijna zes meter lang wordt met een spie-mof verbinding aan de voorgaande gekoppeld en het hele proces herhaalt zich totdat de ontvangkuip aan de andere zijde van de spoordijk wordt bereikt.


Schuine boring Normaal gesproken wordt een duiker haaks onder het te krui- sen object geboord, maar omdat in dit geval de te verbinden watergangen aan weerszijden van de spoordijk niet in één lijn met elkaar stonden, moest de spoordijk schuin worden door- kruist. “Dat maakte de aanleg er niet eenvoudiger op, vertelt Klarenbeek. “De buis moest tevens langs een op de spoordijk gelegen kazemat, een historisch monument waar niets mee mocht gebeuren. We moesten ook onder een portaal door. Iets wat normaal gesproken niet wordt toegestaan, maar om- dat het in deze situatie niet anders kon, is hier door ProRail bij uitzondering toestemming voor gegeven. Wel werd er tijdens het persen een toezichthouder van de procescontractaanne- mer (namens ProRail) bij gezet.”


Minimale zetting


Hoewel de oversnijding door de boorkop, ondanks de forse diameter van de buis, slechts 15 mm rondom bedroeg, moest tijdens de werkzaamheden ook rekening worden gehouden met eventuele zetting van het bovenliggende dijklichaam. Kla- renbeek: “Het spoor kent wat dat betreft een aantal grens- waarden waarbinnen die zetting mag optreden, zonder dat dit gevaar oplevert voor de zogenaamde ‘veilige bereidbaarheid’


34 Nr.1 - 2016 OTAR


van het spoor. Daarom hebben wij tijdens het hele proces ge- monitord met behulp van meetpunten die om de drie meter op het spoor waren aangebracht. Op zich is een geringe zet- ting geen probleem, zolang beide benen van een spoor maar gelijkmatig zakken. Maar omdat wij schuin onder de spoordijk door gingen, moest extra voorzichtigheid worden betracht, want als in een vlak van vier meetpunten een meetpunt meer dan 10 mm zakt (scheluwte), bestaat het gevaar op een kan- telbeweging van de trein en de kans dat ‘ie eruit vliegt. Het monitoren werd door onszelf verricht onder toezicht van de procescontractaannemer namens ProRail en het is ons gelukt om binnen de toleranties te blijven.”


Smeernippels


Om zetting en nazetting zoveel mogelijk tegen te gaan, had ProRail bovendien als aanvullende eis gesteld dat de door Hobas aangeleverde buissegmenten om de drie meter zou- den worden voorzien van smeernippels. Klarenbeek: “Het bo- ren in deze spoordijk was op zich al lastig omdat de boring door sterk wisselende grondlagen ging, van kleiachtig tot zan- derig en grindig materiaal. Daarom hebben wij geboord met bentoniet als steunvloeistof. Bentoniet is tevens via de smeer- nippels in de oversnijdingsruimte geïnjecteerd om die ruimte te vullen en de omringende grond zo goed mogelijk te stabi- liseren. Bijkomend effect is dat het betonniet ook als smeer-


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58