This page contains a Flash digital edition of a book.
Inschepingsverlof


Iedereen die op het punt stond naar Indië te gaan, kreeg ongeveer een week verlof: inschepingsverlof. Mijn vader overleed plotseling tijdens mijn inschepingsverlof. Hij was 50 jaar oud. Ik kreeg twee dagen extra verlof om bij de begrafenis te kunnen zijn en een paar zaken te regelen. Mijn vader was zelfstandig onder- nemer en had geen verzekering, zoals zoveel mensen in die tijd. Met zijn dood was het gezin ineens zonder inkomen. Er waren opdrachten die half klaar waren, klanten met onbetaalde rekeningen en leveranciers die betaald moesten worden. Allebei mijn ouders hadden ernstig geleden door ondervoeding (Rotterdam 1940- ’45). Zij hadden een zoon verloren – mijn broer – die in 1944 om het leven was gekomen. Mijn moeders gezondheid was niet goed. De oorlog had haar voor de rest van haar leven gekwetst. Zij was nu een weduwe met een kind van 12 jaar – mijn zusje – en zij was zonder inkomen. Zij moest op staande voet werk vinden. Ik vertrok naar de andere kant van de wereld zonder enig idee te hebben van wanneer ik weer eens terug zou komen. Het was een droevig vaarwel.


Doordat ik later van mijn inschepingsverlof terugkwam dan de rest van mijn bataljon, miste ik de boot (naar Sumatra). Ik ging met een volgend schip en landde in Batavia. Daar werd besloten mij naar een KNIL-onder- deel in Tjimahi te sturen (dichtbij Bandoeng). Ik heb heel mijn Indiëtijd in KNIL-verband doorgebracht en geen enkele dag met een Nederlands onderdeel. Het heeft mijn leven enorm verrijkt. Mijn moeder overleed een week na haar 60e verjaardag.


Adr. C. van Draanen, Richmond, Canada


Wildpark in Namibië


Op 17 januari 1995 vertrok ik samen met 24 andere Nederlanders als VN-waarnemer naar Angola. Ik werd geplaatst op een post in het zuiden, in de havenplaats Lobito. Na vier maanden in afzondering te hebben geze- ten, kwam het bericht dat we recht hadden op verlof en de vraag hoe we dat wilden opnemen. Een reis naar Nederland moesten we zelf bekostigen en dat liep toch al gauw in de duizenden guldens. Door enkele collega’s werd ik gevraagd met hen een reis te gaan maken door Namibië, het buurland van Angola. We konden met een VN-vlucht mee naar Windhoek, waar de VN goede- ren ophaalde, en hierdoor konden VN-militairen daar ontspannen. Op 27 mei 1995 was het zover, ik vertrok


samen met drie KMar-collega’s (Albert Zomer, Peter van de Berg en Victor Beglinger) naar Windhoek in Namibië. Bij aankomst kreeg ik mijn eerste schok: verharde wegen, complete auto’s en een mooie omgeving, alles wat ik de laatste maanden niet meer had gezien. De mensenmassa in de stad Windhoek beangstigde me. Ik was blij dat ik de drukte kon ontwijken en genoot van de rondreis met de huurauto. Ons eerste doel was een meerdaags bezoek aan Etosha Pan, een wildpark in het noorden van Namibië. Overdag reisden we rond het park en genoten we van dieren die in het wild leefden. We beschreven wat we tegenkwamen voor de parkrangers die op deze manier de verplaatsingen van de dieren in kaart konden brengen. Na deze prachtige ervaring gingen we naar het kuststadje Swakopmund, van waaruit we dagtochten ondernamen. Als eerste gingen we richting gigantische kolonies zee- honden. Dat was geweldig om te zien, maar de stank van dode en rottende zeehonden was minder. De dag daarna gingen we flamingo’s bekijken in de Walvisbaai, maar eerlijk gezegd was ik dieren kijken een beetje moe aan te worden en dit werd gedeeld door mijn reisgenoten. We bezochten ook nog een woestijn.


Bij terugkomst in Angola werd je direct na de landing weer geconfronteerd met de misstanden en armoede die dit land meemaakt. Pas toen besefte je waarvoor je daar was en je gunde de inwoners van dit land net zoveel geluk als in de landen waar geen brandhaarden zijn. Het klinkt vreemd, maar ik was hartstikke blij terug te zijn in mijn vertrouwde, ellendige omgeving in Lobito. Geen verkeersdrukte, geen grote mensenmassa’s, geen geregeld- heid. De herinneringen aan de ‘vakantie in Namibië’ ble- ven hangen en vlak na mijn terugkomst in Nederland heb ik geen dierentuin meer bezocht, want de ervaring in het wildpark was niet te evenaren.


John Marechal (tweede van links) met zijn KMar-collaga’s. Foto: privécollectie John Marechal


John Marechal, Roermond 16


JULI-AUGUSTUS 2015


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65