This page contains a Flash digital edition of a book.
Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) onderzoekt, analyseert en levert de overheid ken- nis op het gebied van infrastructuur en mobiliteit. Een gesprek met George Gelauff, directeur van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, over actuele opgaven en uitdagingen in de toekomst. Tekst: Joost Zonneveld


Wat doet het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid precies? “Het KiM bestaat ruim tien jaar. Er was behoefte aan een kennisinstituut dat dicht tegen het ministerie aan zit, om die reden zijn wij ook gevestigd in het gebouw van destijds Verkeer en Water- staat, nu Infrastructuur en Milieu. Wij doen onderzoek, volgen ontwikkelingen en signaleren trends op het gebied van mobiliteit en infrastructuur. Beleidsma- kers van het ministerie kunnen bij ons terecht voor kennis en informatie. Daar- naast hebben wij een publieke taak. Onze onderzoeken worden in openbaar toegankelijke rapporten gevat, waar- door die informatie ook voor een breder publiek toegankelijk is. Onderzoekers, maatschappelijke organisaties, bedrij- ven en burgers kunnen die onderzoeken raadplegen. Op die manier kunnen veel partijen inzicht krijgen over de vraag hoe Nederland er voor staat op het gebied van mobiliteit.”


Wat zijn volgens u de belangrijkste kwesties op dit moment? “Dat zijn er meerdere, maar de conges- tie op de weg is een belangrijke, net als de trek naar de steden. Dat zijn momen- teel misschien de belangrijkste onder- werpen met daarbij de grootste uitda- gingen.”


In de afgelopen jaren is veel extra asfalt aangelegd. Blijkt dat niet voldoende? “We zien dat de congestie weer fors aan het toenemen is. Het is nog de vraag hoe we dat precies moeten duiden. In 2008, toen de economische crisis wel al begonnen was, maar de gevolgen ervan nog niet waren doorgedrongen, hadden


we te maken met het grootste aantal fi - les uit de Nederlandse geschiedenis. Daarna is dat afgenomen. Dat had met de crisis te maken, maar vooral met in- vesteringen in wegen. Nu zien we ech- ter weer dat de fi ledruk toeneemt. Waar- door dat precies komt, weten we nog niet. Het zakelijke verkeer is toegeno- men, de olieprijs is relatief laag, het kan ook zijn dat, doordat er meer wegenca- paciteit is, mensen de spits minder mij- den. Maar in hoeverre we daarmee de toename van 22 procent meer voertuig- verliesuren in 2015 ten opzichte van een jaar eerder kunnen verklaren, is nog de vraag.”


Online is al veel informatie beschikbaar voor automobilisten. Werkt dat dan onvoldoende? “Mensen moeten daar wel gebruik van maken. Bovendien zijn er mensen die aan vaste werktijden gebonden zijn en vaak weinig andere mogelijkheden heb- ben. Wellicht vinden de meeste men- sen de eerste tien minuten van een fi le ook niet zo’n probleem. Onderzocht kan worden of ze dat op de koop toe ne- men, maar het daarna wel als vervelend ervaren. Bovendien kosten fi les het be- drijfsleven ook geld. Er wordt overigens geëxperimenteerd met verschillende vormen van reisinformatie. Talking Traf- fi c is daar een voorbeeld van waarbij het Rijk en de regio’s zo goed mogelijk reis- informatie geven. Het gaat dan om het gebruik van verschillende vervoersmid- delen om zo snel mogelijk van A naar B te komen, maar ook over de beschik- baarheid van parkeerplaatsen, inciden- ten onderweg, et cetera. De hoop be- staat dan dat men verschillende routes kiest waardoor er minder fi les ontstaan.”


Maar lukt het wel echt om op die manier mensen uit de auto te krijgen?


“Het handige van de auto is natuurlijk dat die mensen van deur tot deur ver- voert. En het klopt dat automobilisten niet gemakkelijk te verleiden zijn het openbaar vervoer te nemen. Om die reden is het verstandig te kijken naar een breed scala van maatregelen om de doorstroming op de weg te verbete- ren. Het programma Beter Benutten is daar een zeer goed voorbeeld van. In- middels zijn zo’n driehonderdvijftig pro- jecten gestart om de bereikbaarheid te verbeteren. Het gaat dan niet alleen om spitsmijden maar ook om fi etsvoorzie- ningen bij bedrijven en dergelijke. Het is verstandig om niet alleen naar congestie te kijken door problemen op de weg aan te pakken, maar naar het geheel van mobiliteitsstromen. Wanneer zijn alter- natieve vervoersmiddelen interessant? Welke faciliteiten zijn nodig? Het gaat om een breed pakket van maatregelen. En dat heeft effect. Het programma Be- ter Benutten heeft al tot 48.000 spitsmij- dingen geleid en bijna twintig procent minder vertraging op specifi eke trajec- ten.”


U noemt ook de trek naar de steden als een belangrijke actuele kwestie. Dan gaat het ook om bereikbaarheid?


“Op dat gebied spelen meerdere kwes- ties. Zo zijn de verschillen tussen steden als het gaat om bereikbaarheid groot en zijn er verschillen in het gebruik van vervoersmiddelen. In de ene stad is de auto bijvoorbeeld veel dominanter dan in een andere stad. En hoewel gemeen- ten, op de rijkswegen die daar door- en Nr.1 - 2017 OTAR


O Nr.1 - 2017TAR 7


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54