This page contains a Flash digital edition of a book.
66


MET VERKLEUMDE VINGERS KUN JE GEEN INFUUS TOEDIENEN


Bert Russchen is verpleegkundige en locatie- manager bij de Ambulancedienst Den Haag.


Op een knalgele Pan European rijdt ook hij de hele winter door. Maar dan vooral het kortere werk in en rond het centrum van Den Haag. Dat geeft specifi eke problemen. Wie zich afvraagt waarom Bert Russchen de hele winter doorrijdt op zijn Pan European, moet maar eens proberen hem in Den Haag bij te houden. Met een auto. Dat is een kansloos gevecht. Voortdurend kom je vast te zitten in fl essenhalzen en fi les. Zelfs als je overal door rood zou rijden, kom je niet bij hem in de buurt. En dat geeft precies de noodzaak aan van de motorambulance. Bert is vaak vele minuten eerder op de plaats des onheils dan de collega’s van de autoambulance. Dat kan een verschil van leven en dood betekenen. Nadeel is dat Bert de slachtoffers niet achterop de motor naar het ziekenhuis kan bren- gen, dus wordt er meestal ook een reguliere ambu- lance meegestuurd, terwijl Bert alvast zorgt voor de stabilisering van de zieke of gewonde. Daarvoor heeft hij in zijn koffers een indrukwekkend arsenaal aan apparatuur en medicamenten bij zich. ‘Als je dat ziet,’ zegt Bert, ‘snap je meteen een van de grootste winterproblemen: koude handen. Met verkleumde vingers kun je geen infuus toedienen. Dus heb ik uiteraard handvatverwarming. Door alle toeters en bellen aan mijn stuur, was er helaas geen plaats voor handkappen. Met dikke winter- handschoenen hou ik het nog wel goed warm op de korte stukjes. Maar als je hulp moet bieden, gaan die uit. Ik heb een zeer drastisch middel ge- vonden om mijn handen buiten toch zo lang mo-


gelijk op temperatuur te houden. Ik ben gestopt met roken. Dat scheelt echt. Je doorbloeding wordt er veel beter van. Het verschil merk je al een dag na het stoppen. Ik heb sindsdien ook minder last van koude voeten.’


Niet zwetend hulp bieden De meeste hulp moet Bert echter binnenshuis bie- den. Dat zorgt voor een ander, typisch winters probleem: grote temperatuurverschillen. ‘Met een ambulance kom je vaak bij oudere mensen thuis. Die kunnen het erg warm stoken. Met veel kle- ding aan ga je daar fl ink van zweten. Als je be- zweet buiten komt, krijg je het pas echt koud. Dus doe ik bij voorkeur niet veel aan. Een jas heb je zo uitgetrokken, maar vier lagen kleding en een lange onderbroek niet. Bovendien zou het veel tijd kosten om alles uit en weer aan te trekken, en die heb je niet als je van spoedgeval naar spoedgeval gaat. Daarom ik heb onder mijn goretex jas met binnenvoering niet zo heel veel meer dan een ade- mend shirt. Dat is voldoende.‘ Jammer vindt Bert het wel dat de motorpolitie in vrijwel dezelfde jassen is gaan rijden. ‘Nu lijkt het alsof ik een motoragent ben, met alle gevolgen van dien. Mensen gaan ineens op de rem staan als ze me zien en gooien hun mobieltjes in hun schoot. Ik krijg met meer agressiviteit te maken.‘ Is hij na een hele dag op pad niet steenkoud? ‘Dat valt mee, ook omdat spoedhulp vaak binnenshuis is. En anders kunnen we altijd terecht voor een bak warme koffi e bij de haringkar aan het Bin- nenhof, een vaste stek van ons.’


Het wegdek een gatenkaas Een ander winters stadsprobleem is het rijden zelf. ‘Eigenlijk is het niet eens zozeer de sneeuw en de gladheid,’ zegt Bert, ‘want dan heeft het geen zin om de motor te pakken. De problemen kwamen in de lange winter van 2010 vooral na de sneeuw. De wegen in het centrum waren in een gatenkaas veranderd, net als in de rest van Nederland. Ook tussen de tramrails en op busbanen, die normaal- gesproken altijd van pas komen om het andere verkeer te passeren. Dan moet je wel heel erg goed met vooruitziende blik rijden, want in de stad heb je maar weinig mogelijkheden om uit te wij- ken. We krijgen natuurlijk allerlei motortrainin- gen, maar dat zegt ook niet alles. Een collega is tijdens een training dodelijk verongelukt. Dat had een grote impact op ons team. We zien natuurlijk met grote regelmaat zware ongelukken, maar als het een naaste collega gebeurt, die ook nog eens goed kon rijden en de meest voorzichtige van ons allemaal was, word je keihard gewezen op je ei- gen kwetsbaarheid. Maar het helpt ook niet om daar steeds maar aan herinnerd te wor- den. Je moet toch verder.‘


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72  |  Page 73  |  Page 74  |  Page 75  |  Page 76  |  Page 77  |  Page 78  |  Page 79  |  Page 80  |  Page 81  |  Page 82  |  Page 83  |  Page 84  |  Page 85  |  Page 86  |  Page 87  |  Page 88  |  Page 89  |  Page 90  |  Page 91  |  Page 92