This page contains a Flash digital edition of a book.
is onbeschrijfelijk’


den op de lege plaats gelegd. Het is niet uit te leggen hoe dankbaar ik daarvoor was.”


In 1995 gingen de Schuringa’s een tweede keer naar Korea. Toen ontmoetten ze het hulpje van de adjudant. “Dat was heel bijzonder. Iemand die mijn vader echt gekend had en over hem kon vertellen. Zo hoorde ik dat hij van lekker eten hield en heel muzikaal was, maar ook dat hij vreselijk kon vloeken. Ook heeft hij mij kunnen vertellen waar mijn vader gesneuveld is.” Schuringa was in 2004 een van de genodigden van de Koreaanse rege- ring. “Een bijzondere geste, maar erg druk met veel formaliteiten. Wel heb- ben we toen het graf van mijn vader kunnen bezoeken.”


Ondertussen was Schuringa in contact gekomen met zijn Indische halfzus en haar moeder. “Dat was fantastisch. Mijn vader was een man die van zijn vrouw en kinderen hield, maar ook wel eens naar andere vrouwen keek. De moeder van mijn halfzus werkte als secretaresse bij mijn vader. Zij vertelde over onze foto op zijn bureau, over hoe hij met zijn mensen omging. Hoe hij was als mens.”


belang.” Het Nederlandse detache- ment werd ingedeeld bij het Ameri- kaanse 38e Infanterie Regiment van de Second ‘Indianhead’ Division. Op 12 februari 1951, tijdens een aan- val op de bataljonscommandopost te Hoengsong, sneuvelde adjudant Schuringa (zie ook pag. 17).


Zoektocht


Omdat Piet Schuringa het niet eens was met de dienstplichtwet deed hij in 1964 een beroep op de wet gewe- tensbezwaarden. Tijdens de zitting van de commissie hoorde hij voor het eerst over de heldendaden van zijn vader. “Een van de heren beet me toe dat mijn vader zich om zou draaien in zijn graf als hij zou horen dat ik niet in dienst wilde.” Na de geboorte van zijn kinderen werd Schuringa


nog nadrukkelijker geconfronteerd met het gemis van zijn vader. Bij zijn grootouders was praten over ‘die beroepsmilitair’ een taboe. Aan zijn moeder, die op jonge leeftijd over- leed, kon hij niets meer vragen. Nadat hij in 1988 instortte, kwam hij in contact met de VOKS (Vereniging van Oud-Korea Strijders) en hoorde meer over de strijd in Korea. In 1989 ging hij voor het eerst met zijn vrouw naar Korea. Samen met Amerikaanse Koreaveteranen werd hij door de Koreaanse regering uitgenodigd voor een speciale bijeenkomst waar de Amerikaanse veteranen een oor- konde en medaille kregen. “In de tafelschikking was er naast mij een lege stoel. Mijn naam werd genoemd. Ook voor mijn vader waren er een oorkonde en een medaille. Die wer-


Laatste keer


Begin dit jaar is Schuringa met zijn vrouw en dochter voor de vierde keer naar Korea geweest. “Vanwege mijn gezondheidsproblemen weet ik dat dit de laatste keer was dat ik het graf van mijn vader heb bezocht. Het is voor mij, voor ons, erg belangrijk dat onze dochter Ruth Martine mee is geweest. Zij gaat ook mee naar herdenkingen en bijeenkomsten. Het gemis van mijn vader blijft onbe- schrijfelijk. Zelfs nu ik ouder ben. Door mijn contacten met de VOKS, het verhaal over zijn Indiëtijd, het contact met mijn halfzus en de bezoeken aan Korea is de angel eruit. Ruth Martine gaat zeker nog eens naar Korea. Misschien met haar gezin of met onze zoon. Zo wordt mijn vader niet vergeten.”


JULI-AUGUSTUS 2013 23


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64