This page contains a Flash digital edition of a book.
Ooggetuige


werd de jongen direct naast hem neergeschoten met een dum dum- kogel. “De hele zaak daar was weg- geschoten”, vertelt Spriensma, ter- wijl hij wijst op zijn onderlichaam. “En die jongen schreeuwde om zijn moeder. Hij heeft nog op mijn bed gelegen en later hebben we hem begraven. Het hoeft van mij nooit weer.”


Japanners Na eerst op de Evertsen gediend te hebben en vervolgens bij de landingsdivisie werd Spriensma overgeplaatst naar de Duik- en ber- gingsdienst. Hij kwam terecht op de Triton, een duik- en bergingsschip waarop ook een twintigtal krijgsge- vangen Japanners waren tewerkge- steld. “Wij verdomden het om ze te groeten”, legt Spriensma uit, wan- neer hij hun aanvankelijke afkeer van ze beschrijft. Toch veranderde dit na verloop van tijd en zou hij ook ‘de gewone mens’ in deze Japanners ontdekken. “Als ik rookte, rookten zij ook en als ik theedronk, dronken zij ook hun thee.” Hij kreeg een opleiding tot duiker en onderwaterreparateur. Alhoewel het duiken zeker niet zonder gevaar was, was het allemaal van een andere orde dan het werk bij de lan- dingsdivisie. Met de Triton sleepten ze ook nog een 70 tot 80 meter hoge kraan op pontons van Makassar op Celebes via Soerabaja naar de Straat van Malakka. Een ongelofelijke klus die vooral door de kwaliteiten van


Tjerk Spriensma (zittend, tweede rij, tweede van links) tijdens de opleiding in 1945/’46 in Engeland. Foto: privécollectie Tjerk Spriensma


de kapitein, van wie Spriensma een achtergrond in de koopvaar- dij vermoedde, tot een goed einde werd gebracht. In de woorden van Spriensma: “Zijn zeemanskwaliteit was van hoog niveau.” Spriensma werd daarna weer inge- deeld bij de kleine vaartuigendienst, maar die schepen maakten genoeg lawaai om hun komst aan te kondi- gen, waardoor eventuele tegenstan- ders al lang de benen hadden geno- men. Hij vermoedt dat hierdoor veel confrontaties werden vermeden. Op een van deze vaartuigen, de RP 136, deelde de commandant Spriensma mee dat zijn diensttijd er al lang op zat. Met de Zuiderkruis keerde hij in 1949 terug naar Nederland, waar hij nog kort diende op de Neptunus in Den Helder.


Na zijn demobilisatie voer hij nog een periode op de koopvaardij, maar kwam uiteindelijk terecht op een ingenieursbureau in Leeuwarden. Hij trouwde, kreeg drie dochters en een zoon en werd vrijwel direct lid van de Bond van Wapenbroeders. Daar mengt hij zich onder zijn oude maten en praat over “die marinetijd die ik niet had willen missen.” Zijn oude maten wonen echter verspreid over het hele land en velen van hen zijn ondertussen overleden. Onlangs was hij bij de begrafenis van zijn maat Ad Kies die op 22 april over- leed. Op de vraag of hij hem erg mist, antwoordt Spriensma: “Ja natuurlijk! We belden drie of vier keer per maand, die band is onver- brekelijk.”


Torpedobootjager Hr.Ms. Evertsen (1946-1962) D 802. Foto: NIMH 46 juni 2016


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65