This page contains a Flash digital edition of a book.
Ooggetuige


weten of het echte vrouwen waren en grepen de spelers in het kruis, tot grote hilariteit van de gevangenen. Ook de later beroemde cabaretier Wim Kan was betrokken bij deze shows. Op zeker moment selecteerden de Japanners de 250 gezondste gevange- nen, onder wie Ernst; niemand wist wat de Japanners in hun schild voer- den. De reis ging eerst per trein naar Tandjong Priok en werd van daaruit per vrachtschip voortgezet richting Singapore. De gevangenen zaten voorin het ruim; zelf nestelden de bewakers zich achterin in het ruim, in de hoop dat ze daar torpedering van het schip door de geallieerden zouden overleven. Vanuit Singa- pore volgde een treinreis van vier dagen en nachten naar Ban Pong.


“Met veertig man in een veewagen, je behoefte doen met je billen net buiten een smalle deur. Overdag liep de temperatuur op tot 30, 35 graden, maar ’s nachts was het erg koud”, herinnert Ernst zich.


Werken aan Birmaspoorlijn In Ban Pong, een kamp met een


magazijn met voedselopslag, werd duidelijk wat er van de gevangenen werd verwacht. Er moest een spoor- lijn worden aangelegd, bedoeld voor het bevoorraden van het Japanse leger. Daarvoor moest een mars van 225 kilometer worden afgelegd naar Paal 225, van Ban Pong naar Pakanoen in Thailand. ‘Paal’ was de code voor de kampen die tijdens het werk opgezet en ingericht moes- ten worden. De mars werd afgelegd


Julius Ernst in 1946. Foto: privécollectie Julius Ernst


gedurende tien nachten, met om de twee dagen een rustdag. Er werd in het donker gelopen, van zes uur ’s avonds tot de volgende ochtend, om te ontsnappen aan het oog van Amerikaanse verkenningsvliegtuigen. Op het weerbarstige terrein waar de spoorbaan moest komen, waren de bomen al gekapt door koelies, krijgs- gevangenen uit India en geronselde Indonesiërs. Ernst en zijn mannen moesten daarna de boomstronken verwijderen en het terrein egaliseren. Elk groepje van vijf man kreeg een taak, per persoon werd aangegeven hoeveel kubieke meter er gegraven moest worden, afhankelijk van de grondsoort. De Japanse opzichters waren pietjes-precies.


Om stukken grond te kunnen opho- gen, moest steeds eerst een heuvel worden afgegraven. In het talud werden trappen uitgegraven, die daarna weer werden verwijderd. Met stretchers van bamboestokken en een jutezak sjouwden twee mannen telkens een halve kuub zand naar de plaats van bestemming. Tijdens het werk hielpen de groepen elkaar, tot het werk van die dag gereed was. Van ieder kamp, iedere paal, moes- ten de gevangenen steeds vier tot vijf kilometer van de spoorlijn voor hun rekening nemen. Soms maakten de gevangenen met opzet zwakke plek- ken in de spoorbaan door takken te


De ervaringen van Julius Ernst als krijgs- gevangene van de Japanners werden uitvoerig gedocumenteerd door zijn schoondochter Annemarie Stootman. Foto: Karin Stroo


JUNI 2014 47


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65