‘In 1952 werd mijn vader uitgezonden naar Nederlands Nieuw-Guinea. En wij als gezin mochten mee en zo bracht ik mijn tienerjaren daar door. Ik heb me altijd thuis gevoeld tussen de Papoea’s en kon goed aarden tussen dit sympathieke, trotse en leergie- rige volk. Toen ik – tijdelijk terug in Nederland – werd opgeroepen voor de dienstplicht, heb ik me aangemeld om als vrijwillig militair weer terug te gaan. In Nederland vond ik het maar wat koud en ik miste het land en mijn ouders. De inzet was om de Papoea’s te helpen naar onafhankelijkheid. Ze wilden niet onder het bewind van Soekarno vallen. Terecht natuurlijk, want het ging Indonesië niet om de Papoea’s, maar om de rijkdom van het land. Het werd dan ook na de overdracht leeggeplunderd. Het was een hard gelag dat we terug naar Nederland moesten. Ik was totaal overdonderd en vertrok met pijn in mijn hart. Ik heb me verbaasd over gebrek aan interesse in dit mooie land, dat toch ooit deel uitmaakte van ons koninkrijk. Dat bereikte een dieptepunt toen we de Morgenstervlag niet meer mochten tonen tijdens defilés. Veel veteranen hebben gediend onder die vlag en nu werd – door politiek gekonkel – ons die ontnomen. Op veel plaatsen zetten mensen zich nu in voor Black Lives Matter. In Indonesië worden de Papoea’s met de nek aangekeken. Op een of andere manier lijken ze steeds buiten de boot te vallen. Ik ben me altijd – vol vertrouwen – blijven inzetten voor de zaak van de Papoea’s. Onze taak was divers: van het opzetten van lokale scholen tot het lot van de Papoea’s onder de aandacht brengen van de politiek.’