ls er eens een avond is, wanneer ze allen zijn weggegaan. En een soldaat zit dan alleen op zijn kamer. Met de stilte, die de tropen eigen is.
Dan komt er een tijd, van denken aan, en gaan zijn gedachten heen, naar huis. Naar zijn goed klein vaderlandje. Naar vrouw, moeder, vader en de anderen thuis. Op zo’n avond heeft elke soldaat wel eens een weemoedig trekje op zijn door de zon gebruind gelaat. Hij denkt tevens dan hoelang zal het nog duren voor ze de boot voor hem bestemd naar de Oost zullen sturen. Ook denkt hij dan, aan hetgeen wat hij zal doen wanneer hij weer is, in ’t vaderland. In zulke stille uren komt dat verleden maar tevens, de toekomst voor een ieders geest. En dan denkt hij dat het verleden in Holland altijd nog het beste is geweest.