054 Lezen
Tekst: Ingmar Heytze
Ingmar Heytze (Utrecht 1970) publiceerde 15 dichtbundels en werkte als columnist o.a. voor de Volkskrant en het AD Utrechts Nieuwsblad. Zijn meest recente bundel Ik wilde je iets moois vertellen verscheen in 2018. Heytze is ‘literair frontman’ van de band Asfaltfeeën. Dit najaar verschijnt bij Excelsior de lp Zwart glimmend chroom.
Bijna dood in eigen land
De Cereol, voluit de Stichtsche Olie- en Lij nkoekenfabriek, ligt aan het Merwedekanaal in Utrecht. Inmiddels is het een mooi, maar tamelij k aange- harkt stuk erfgoed vol dure apparte- menten met wat horeca, bedrij vigheid en een gemeentelij k bibliotheekfi liaal. Sinds de sluiting in 2001 stond het com- plex leeg en in 2008, toen wij er koste wat kost in wilden, was het verworden tot een grimmige verzameling gebou- wen vol trappenhuizen met verroeste roosters, instortgevaarlij ke vloeren en gescheurde asbestplaten. Het was her- metisch afgesloten met hoge hekken vol waarschuwingsborden. Mij n liefste en ik waren onkwetsbaar
verliefd. We hadden alles: een kleine zolder in de binnenstad, tij d zat, geld genoeg en nog geen enkele verplich- ting in de wereld. We waren bezeten bezig met foto’s maken, bij voorkeur van vervallen gebouwen en terreinen bij kunstlicht, in het bij zonder op plek-
ken waar je niet zonder meer terecht- komt. De Cereol beschouwden we als onze Mount Everest. We moesten erin. We wisten alleen niet hoe. Onze loper tot het complex bleek een
kok. Zij n naam zij n we vergeten zoals hij de onze. Hij woonde antikraak aan
Onze loper
tot het complex bleek een kok
het fabrieksterrein in een bij gebouw. In zij n kamer stond een klein kaliber geweer in de hoek naast het raam tegen de grotere ratten en eventuele insluipers. De kok hoefde alleen zij n raam maar
open te schuiven om door de Cereol te gaan dwalen, wat hij geregeld deed. Hij verklaarde zich bereid om ons een keer mee te nemen. Als tegenprestatie wilde hij een exemplaar van Escoffi ers Kookboek van de klassieke keuken en de zekerheid dat we hem niet zouden fotograferen. We stapten door het raam en volgden
hem over de binnenplaats met onze ca- mera’s in de aanslag. Het was twee uur in de middag en ongelofelij k helder – in mij n herinnering was het warm en baadde alles in laat septemberlicht. Eenmaal binnen werd het al snel
een oefening in doodsangst. De kok bewoog zich snel en zonder moeite, alsof hij overal blind de weg wist. Dat was nodig ook, want binnen heerste in veel ruimtes de stilte en duisternis van het graf. Overal lage losse stroomka- bels in grote plassen water en olie. Af en toe hoorde ik hem hardop tellen om zwakke plekken in vloeren en trappen
over te slaan. Er waren ruimtes waar tientallen duiven in de hanenbalken zaten, er waren plekken waar een soort mist van ongenadig stinkend stof hing. Er waren werkplaatsen met halfverga- ne centerfolds aan de muren. Om alles te kunnen zien, legde de
kok uit, moesten we een gigantische silo aan de buitenkant beklimmen, want binnen was een deel van het trap- penhuis ingestort. Het was een nood- trap die bestond uit losse beugels, een klim van een meter of acht in de open lucht. De kok en mij n liefste stonden al boven toen ik nog halverwege bun- gelde. De roestige beugels die uit de ronde wand groeiden, sneden in mij n handen. Ik keek naar beneden en zag mezelf verbaasd een beugel lostrek- ken, uit balans raken, misgrij pen, neerstorten. Terwij l ik achterwaarts door de lucht naar het einde zweefde, stonden de dochters die we pas jaren later kregen voor me, maar dan als de kinderen die de kok en mij n liefste zouden maken. Ik deed mij n ogen dicht en weer
open, en hing nog steeds aan de trap. ‘Ik verdom het!’, schreeuwde ik naar boven. ‘Je kunt ook omlopen over de grond’, riep hij terug. ‘En dat zeg je nú?’, hoorde ik mij n liefste vragen. Het zal veel over mij zeggen, maar
het bezoek aan de Cereol is waarschij n- lij k het gevaarlij kste avontuur dat ik ooit heb aangehaald. Toch heb ik er nooit spij t van gehad, want zelden voelde ik me zo levend als tij dens die bij na-doodervaring. Het maakte me in één klap duidelij k waarvoor ik leefde en vooral: voor wie. Wat er van de kok geworden is, weet ik niet. Het kan hem niet anders dan goed gaan. Wie zoveel durft, dwingt zij n eigen geluk af.
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92 |
Page 93 |
Page 94 |
Page 95 |
Page 96 |
Page 97 |
Page 98 |
Page 99 |
Page 100 |
Page 101 |
Page 102 |
Page 103 |
Page 104 |
Page 105 |
Page 106 |
Page 107 |
Page 108