search.noResults

search.searching

dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
046 Spiegel


Tekst: Johan de Boose Beeld: Michiel Hendryckx


Op deze plek verhalen schrijvers, journalisten en publicisten over een persoonlijke ervaring met de gezondheidszorg en houden ze (para)medici een spiegel voor.


Tomeloze verlossing


Ziekenhuizen: ik haat ze en ben er dol op


Ziekenhuizen zijn geen huizen, maar loodsen, fabrieken en – met wat vin- dingrijkheid – theaters. Althans, daar lijken ze op. Ik haat ze en ik ben er dol op. In die volgorde. Ik woon in de stad vlak bij een ziekenhuis waar ik een verhaal mee heb. Mijn kinderen zijn er geboren, mijn vader is er gestorven, hijgend aan de pijnpomp. Mijn vrouw is er behandeld voor mammacarci- noom, dat is hospitaaltaal voor borstkanker. Van tijd tot tijd wordt mijn colon oftewel darmkanaal er binnenstebuiten gekeerd. Je zou kunnen zeggen dat dit ziekenhuis een vertrouwde plek is, zoals een stamkroeg. Daarom noem ik het gemakshalve ‘mijn’ ziekenhuis. Ik kom er graag, want je gaat naar binnen met een probleem en je komt naar buiten met een oplossing, weliswaar verpakt in zorgen, pillen en een ingeperkt toekomstperspectief. Tegelijkertijd haat ik het, om dezelfde reden natuurlijk, want het is onmiskenbaar de wachtkamer van de dood. Zelfs wie er geboren wordt, komt er na tig jaren terug om te sterven. Ik weet exact waar de dood woont in mijn ziekenhuis, in de verste vleugel, in de scha- duw van de linden, daar waar mijn vader de geest


Johan de Boose (Gent, 1962) is schrijver van proza, the- ater en poëzie. Zijn magnum opus is Bloedgetuigen (2011). Zijn roman Het vloekhout stond in 2019 op de shortlist van de Libris Literatuurprijs.


gaf. In alle kamers die eraan voorafgaan, word je nog opgelapt, bijgespijkerd, vastgeschroefd of ader- gelaten (een hedendaagse variant ervan), maar op een dag, tja, ontkom je er niet aan. Als gezond mens een ziekenhuis binnenlopen, is een vreemde handeling. Een memento mori: hallo, bijna dode! Je komt letterlijk terecht in een andere stad. Een stad in een stad. Ik weet niet hoe het in uw ziekenhuis is, maar in het mijne heb je heuse straten en huisachtige hokken waar mensen op blote voeten en in smetteloze pyjama’s rondlopen of liggen te wachten op verlossing. Verlossing is hier een dubbelzinnig begrip. Het is vreemd, schokkend theater. Je laat als gezond mens de wereld der gezonden achter je en je treedt binnen in de wereld van pijn, wankele hoop en uitgestelde dood. Als je met de auto naar mijn ziekenhuis komt, zie je eerst de parkeerplaats van het mortuarium. Is je schouder uit de kom geschoten of wil je gewoon een pasgeborene begroeten, dan word je al meteen geconfronteerd met het ultieme toekomstbeeld van iedere sterveling. Ooit hang je hier in de touwen c.q. aan het infuus en rekt men je leven met enkele uren of in het ellendige geval enkele dagen. En aan het eind mag je gezellig in een eenpersoonskamertje in het mortuarium gaan liggen, waar er altijd fijne muziek speelt en de mensen gedempt praten. Mijn woning naast het ziekenhuis is geen ziekenhuis, al zijn er verontrusten- de gelijkenissen. Er speelt ook fijne muziek. Ik loop er op blote voeten rond, want ik haat schoenen, en soms helemaal bloot, want ik haat pyjama’s. Mijn boekenkast, het eerste dat je ziet als je binnenkomt, is een soort van mortu- arium: een verzameling dode schrijvers. En mijn bureau is de wachtruimte van de verloskamer, waar boeken worden gebaard. Ondubbelzinnige verlos- sing. Ik vier hier het leven, tomeloos, zolang het duurt.


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72  |  Page 73  |  Page 74  |  Page 75  |  Page 76  |  Page 77  |  Page 78  |  Page 79  |  Page 80  |  Page 81  |  Page 82  |  Page 83  |  Page 84  |  Page 85  |  Page 86  |  Page 87  |  Page 88  |  Page 89  |  Page 90  |  Page 91  |  Page 92  |  Page 93  |  Page 94  |  Page 95  |  Page 96  |  Page 97  |  Page 98  |  Page 99  |  Page 100  |  Page 101  |  Page 102  |  Page 103  |  Page 104  |  Page 105  |  Page 106  |  Page 107  |  Page 108