052 Lezen
Tekst: Ester Naomi Perquin
en zij n wij kende haargrens liep aan de achterzij de uit in een lange, grij ze paardenstaart. Hij keek me monste- rend aan en blies een rookwolk uit. ‘Geen zorgen’, zei hij , ‘ik laat altij d een raampje open, dus je longetjes blij ven gezond.’ Al snel werd mij duidelij k dat Joop er
Het halve werk
Ik moet toegeven: de eerste keer dat hij voor kwam rij den, schrok ik behoor- lij k. Joop was me door mij n vorige rij - instructeur, die het na bij na twee jaar en twee examens wel voor gezien hield, aangeraden als ‘bij uitstek geschikt voor de allerlastigste gevallen’. Hij was, zo werd me verteld, een tikkeltje onor- thodox. ‘Er zij n wel mensen gillend bij hem uit de auto gesprongen.’ Maar veel keus had ik niet, als allerlastigst geval. Of, zoals mij n instructeur die laatste les verzuchtte, ‘we moeten allemaal verder in het leven’. Daarna had hij me een hand gegeven. ‘Veel succes.’ Toen hij wegreed, zag ik aan zij n opgeluchte gezicht dat het gewicht van twee jaar tij dverspilling van hem was afgegle- den. Hij kon weer verder in het leven. Een week later reed Joop voor. Hij
opende het portier van zij n bruine, wat haveloze leswagen en begon luid kreunend, omhuld door shagdampen, uit zij n stoel omhoog te komen. Er waren diverse pogingen voor nodig: half-schommelende bewegingen die lij nrecht tegen de zwaartekracht indruisten. Maar toen hij uiteindelij k naast de auto stond, was hij bepaald in- drukwekkend. Een kruising tussen een gebergte en een gepensioneerde rocker. Zij n borstkas en buik, omspannen door een grauwzwart T-shirt, waren reusachtig, zij n armen en bovenbenen hadden de breedte van een autostuur
inderdaad een geheel eigen benadering van lesgeven op nahield. Zo waar- schuwde hij mij , tussen het rollen van shaggies door, om vooral niet te licht- voetig met de rem om te gaan. ‘Kij k, je remt, of je remt niet’, lichtte Joop toe. ‘En deze rem heeft een alles-of-nietska- rakter, zal ik maar zeggen.’ Ik knikte. ‘Ook stilstand vraagt om duidelij kheid’, zei Joop. Dat bleek geen overdrij ving. Zo subtiel als ik bij mij n vorige instruc- teur had leren remmen, ‘dansend op de balans’ – zo onverschillig reageerde deze rem op al te schroomvallige voet- bewegingen. Vandaar dat we, dankzij overcompensatie van mij n kant, een paar keer vanuit hoge snelheid abrupt tot stilstand kwamen, waardoor ik met mij n voorhoofd het stuur raakte en Joops paardenstaart jolig over zij n ogen zwiepte, iets wat hij telkens memoreer- de door ‘hopsakeetje’ te zeggen.
‘Ik laat altijd een
raampje open, dus je longetjes blijven gezond’
Er volgde tij dens de rit ook een serie zenboeddhistische opmerkingen die niet direct een reactie vereisten, zoals ‘de auto houdt op waar jij begint’ en het nog raadselachtiger ‘elke manoeuvre komt voort uit een beweging’. Ook leer-
de ik, stilstaand tussen twee paaltjes, een handgebaar om ‘overtollige bagage’ uit mij n hoofd te werpen en bleek Joop te beschikken over een schootformaat whiteboard. Daarop zette hij graag wat golvende lij nen die zij n uitleg kracht bij moesten zetten, waarna hij het ding weer opborg in het handschoenenvak- je, naast de shag en een zak chocolade- croissantjes. Na die eerste les besloot ik te blij ven.
Deels omdat ik inmiddels een klein fortuin aan rij lessen had uitgegeven (en leek op de gokverslaafde die vermoedt dat hij alles terug kan winnen als hij maar door blij ft spelen) en deels om de onwankelbare rust die Joop uitstraalde wanneer hij naast me zat. Iets wat me nog nooit eerder ten deel was geval- len. ‘Mij n leven ligt in jouw handen’, zei hij . ‘Dat is zo’n tweehonderd kilo.’ Naast hem begon ik me gaandeweg een automobilist te voelen. Een alledaagse, doodgewone bestuurder op wiens fou- ten niet bij ster geschrokken gereageerd werd. ‘Onthoud wel: oranje is niet zo- zeer een nawee van groen, als wel een voorbode van rood.’ Op een zomerse dag mocht ik voor
de derde maal examen doen. Joop parkeerde bij het CBR en haalde uit het dashboardkastje een banaan tevoor- schij n, die hij eventjes plechtig voor zich hield, als ware het een religieus voorwerp. Daarna gaf hij hem aan mij , keek me aan en zei: ‘Een banaan is het halve werk.’ Die middag haalde ik mij n rij bewij s.
Een maand later kocht ik een auto. Joop heb ik nooit meer gezien – ik weet zelfs niet of hij nog lesgeeft. Maar soms, wanneer ik een bocht te scherp neem of weer eens slordig inparkeer, ruik ik een vage shaglucht. Onmiskenbaar. De geur van wezenlij k vertrouwen.
Ester Naomi Perquin (Utrecht 1980) volgde schrijfonderwijs in Amsterdam en werkte jarenlang als gevangenbewaarder om die studie te bekostigen. Zij schreef gedichten en columns en werd in 2017 voor twee jaar benoemd tot Dichter des Vaderlands. Haar laatste dichtbundel Meervoudig afwezig (2017) werd bekroond met de Prijs van de KANTL voor Poëzie 2019.
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92 |
Page 93 |
Page 94 |
Page 95 |
Page 96 |
Page 97 |
Page 98 |
Page 99 |
Page 100 |
Page 101 |
Page 102 |
Page 103 |
Page 104 |
Page 105 |
Page 106 |
Page 107 |
Page 108