search.noResults

search.searching

saml.title
dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
naar ‘herstel’ niet. Een open Haringvliet en Grevelingen? Zout hoort


Wees juist zuinig op het zoete water.”


Verbazing Overtollig rivierwater zoveel mogelijk via de IJssel wegleiden, is een belang- rijk uitgangspunt op de 2120-kaart. Nu gebeurt dat vooral via de Waal. “Bij Fort Pannerden, het belangrijkste verdeel- punt van de afvoer van de Rijn en zijn zij- takken, wordt het meeste water naar de Waal gestuurd”, stelt van Buuren. Maar daar ligt het land veel lager dan rond de IJssel en het is zeer dicht bevolkt. Meer water naar de IJssel biedt meer veilig- heid.” Het is een optie bij afvoeren van meer dan 16.000 kuub per seconde bij Lobith, verduidelijkt Van Buuren. Kok ziet zijn eigen huis – hij woont in het IJsseldal – liever niet verdwijnen. “Nou gaat het daar natuurlijk niet om, maar mij ontgaat de logica. Ja, er zit een grens aan de hoeveelheid water die de Rijn en Maas kunnen afvoeren en extremen worden door klimaatverandering moge- lijk groter. Maar het beeld dat de hoe- veelheid rivierwater alsmaar blijft stijgen, klopt niet.” Borm voorziet nog een ander probleem. Door die brede IJssel kan de Rijn bij Lobith zo laag komen te staan dat er geen schip meer kan varen. Van Alphen verbaast zich over de ver- binding op de kaart tussen Maas en Waal. De rivieren werden in de vorige eeuw gescheiden, scheepvaart ertus- sen is mogelijk via de schutsluizen bij St. Andries en Andel. Van Alphen: “Die scheiding was niet voor niets. Bij hoge rivierafvoeren leverde het onbeheers- bare gevolgen op voor de waterstanden, met risico’s op overstromingen. Ecolo-


in de zee.


gisch zou een verbinding waardevol kun- nen zijn, maar die moet dan wel veilig zijn.” Van Alphen noemt het strategisch “een mooie gemeenschappelijke uitda- ging voor ingenieurs en ecologen”.


Verhuizen Naast kritiek is er ook lof. Bijvoorbeeld voor de geschetste ‘havens’ of hubs in zee. Een open zeeverbinding voor de Rotterdamse haven is op den duur onhoudbaar, zeggen zowel Kok als Borm. Een modern knoop- en overslagpunt in zee kan zorgen dat de handel daar niet onder lijdt. Grote containerschepen kun- nen hun lading via een hub snel op klei- nere transportschepen overladen. Ook het behoud van de kustlijn kan op steun rekenen. Kok: “We mogen offen- sief denken. Noord-Holland opgeven is in de komende honderd jaar niet aan de orde.” Een dubbele duinenrij ziet Borm echter niet zitten: “Suppleren houdt ergens op”. Hij pleit al jaren voor een lange ringdijk voor de Hollandse kust en eventueel ook Zeeland. “Nederland is simpelweg te klein om op termijn de extra


zoetwaterberging te creëren die nodig is bij een zeespiegelstijging van anderhalf tot twee meter. Die extra ruimte vind je alleen in zee.” Zutphen, Eindhoven of Maastricht als het nieuwe Amsterdam vindt iedereen een verstandig idee, maar tegelijk een ware uitdaging. Van Alphen: “We weten dat metropolen de natuurlijke neiging hebben om te blijven groeien. Hoe door- breek je die tendens?” Kok: “Als we dat met zijn allen willen, dan kan het natuur- lijk. Daarover moeten we de discussie aangaan.” Borm adviseert een verbod op woningbouw in de diepst gelegen polders. “Economisch gezien is het ook niet rendabel om oneindig water te gaan verpompen.” De lege polders gebruikt hij in dat geval wel liever voor zoetwa- terberging dan voor ‘zilte teelt’ of nieuw veen. Waterberging creëert tegendruk tegen zoute kwel, zodat naastgelegen landbouwgronden langer kunnen wor- den gebruikt. “Ook dat kan prachtige vogelgebieden opleveren”, benadrukt hij. “Voordat het veen weer is aange- groeid zijn we duizenden jaren verder.”


Kennisprogramma zeespiegelstijging


Vorig jaar is het meerjarige Kennisprogramma zeespiegelstijging van start gegaan, een initiatief van de minister van Infrastructuur & Waterstaat en de deltacommissaris om met vele partners te anticiperen op een mogelijk snellere zeespiegelstijging (méér dan één meter aan het eind van deze eeuw) dan in de deltascenario’s is meegenomen. Het Kennisprogramma moet meer inzicht geven in mogelijke gevolgen voor de wateropga- ven en ruimtelijke inrichting, en voor de volgende herijking van het Deltaprogramma in 2026 adviezen geven hoe hierop te anticiperen. Zowel de WUR-onderzoekers, de TU Delft en Adviesgroep Borm & Huijgens dragen bij aan het traject binnen het Kennispro- gramma, waarin langetermijnopties worden verkend (‘spoor 4’).


OTAR Nr. 2 - 2020


15


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48