This page contains a Flash digital edition of a book.
wel de juiste investeringen in infrastruc- tuur gedaan worden. Overigens gaat het bij infrastructuur niet alleen om wegen en spoor, maar ook om slimme technie- ken om het verkeer anders en slimmer te begeleiden.”


en gemeengoed worden. En zelfs dan is het nog moeilijk om aan te geven hoe mensen daar dan vervolgens mee om gaan en welke innovaties door dat ge- drag weer uitgelokt worden. Maar wat wij hebben willen doen, is het signaleren van niet onrealistische ontwikkelingen waar wij van vinden dat daarover een gesprek gevoerd moet worden. Sommi- ge innovaties gaan heel snel. Hoe kun- nen we en moeten we daar op inspe- len?”


Innovaties gaan snel, de aanleg van infrastructuur kost tijd. Zijn beide verenigbaar?


“Dat is een van de moeilijke beleidsvra- gen die wij in ons rapport hebben ge- constateerd. De overheid zal sneller moeten kunnen inspelen op verande- ringen. Maar iedereen weet ook dat het aanleggen van infrastructuur veel tijd en geld kost. Daar zit echter ook een an- dere kant aan. Door technologische ontwikkeling verandert het gebruik van ruimtes, gebouwen en weggedeeltes die makkelijker voor wisselende func- ties gebruikt kunnen worden. Dat leidt tot veel vragen. Als ontwikkelen en bou- wen straks nog sneller gaat, wat bete- kent dit dan voor de besluitvormings- processen rond ruimtelijke ordening? Hoe kunnen bestemmingsplannen flexi- beler worden? Wat betekent dat voor de zekerheden bij investeringsbeslissin-


8 Nr.2 - 2015 OTAR


gen en voor de afschrijvingstermijn van investeringen? De leefomgeving wordt zelf een intelligent systeem. Wie gaan delen van die intelligentie beheren? Hoe ver kunnen intelligente systemen straks gaan in het zelf besluiten nemen? Hoe afhankelijk raken we van die systemen of hun leveranciers? Welke waarden zit- ten in die systemen verwerkt? Welke ti- ming is geschikt om in te spelen op een andere ruimtelijke inrichting die past bij meer intelligentie in gebouwen, produc- tieprocessen, wegen en voertuigen? Daar moet goed over nagedacht wor- den. Daarom denken wij dat het in beeld brengen van mogelijke ontwikkelingen de eerste stap is. Daar hebben wij een bijdrage aan willen leveren. Vervolgens is het aan beleidsmakers om daar op een goede manier mee om te gaan. Het lijkt ons raadzaam niet altijd snel een keuze uit verschillende opties te maken. Nieuwe manieren van mobiliteit kan be- tekenen dat we daarvoor ook andere in- frastructuur nodig hebben.”


U houdt het voor mogelijk dat we een geheel nieuw soort infrastructuur nodig hebben in Nederland?


“Wij hebben nu een verkenning gedaan, dat is iets tussen een rapport en een briefje in. Het kan zijn dat we in een ver- volgstudie de vraag opwerpen of, ge- zien de ontwikkelingen op dit moment,


Hoe bedoelt u dat? “Nederland heeft bijna 140 duizend ki- lometer aan openbare weg. Jaarlijks staan Nederlanders bij elkaar opgeteld 62 miljoen uur in de file. De economi- sche kosten hiervan worden geschat op ongeveer drie miljard euro per jaar. De noodzaak om daar iets aan te doen is daarom hoog. Naast de aanleg van we- gen, extra rijstroken en versterkingen rond knooppunten, is het beleid gericht op gedragsbeïnvloeding van reizigers, zodat ze efficiënt gebruikmaken van de bestaande infrastructuur en mogelijk- heden van het openbaar vervoer. Tech- nologie is onmisbaar bij het optimaal genereren en gebruikmaken van ver- keersinformatie. Maar ook bij het bieden van gedragsopties om te reizen buiten de spits of met het openbaar vervoer, of om gewoon niet te reizen door bijvoor- beeld thuis te werken. Verkeersmanage- ment helpt de benutting van infrastruc- tuur door het beïnvloeden van gedrag op de weg. Uitvoering van verkeersbe- leid vergt veel informatie over het actu- ele weggebruik, bijvoorbeeld van came- ra’s en informatie van telecomproviders, maar ook over de mogelijkheden en ar- gumenten van weggebruikers om hun gedrag aan te passen. Technologische innovaties worden ontwikkeld om de bestaande infrastructuur efficiënter te benutten. Bijvoorbeeld voor persoon- lijke reisinformatie en rijtaakondersteu- ning, maar ook in de vorm van prikkels om de spits te mijden. Zo kan het ge- bruik van verschillende modaliteiten, netwerken en infrastructuren geoptima- liseerd worden, maar bovenal het ge- drag van de gebruikers hiervan.”


Om het gebruik te beïnvloeden hebben we een extra, slimme infrastructuur nodig?


“Ja. De verwachting is ook dat, als het om mobiliteit gaat, de fysieke en virtuele omgeving steeds meer met elkaar zullen versmelten. Het mobiliteitssysteem van de toekomst wordt bijna volledig ge- stuurd door zelflerende algoritmes die


Bron: Bosch


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48