ACTUEEL
RUNDVEEHOUDERIJ Goede voerefficiëntie rendeert snel
Een goede voerefficiëntie heeft direct effect op het saldo, en daar- mee op het financieel rendement van het bedrijf. Basis is een goede ruwvoerkwaliteit.
Een van de belangrijkste factoren voor een optimale voerefficiëntie van 1,4 à 1,5 kilo melk per kilo opgenomen droge stof, is de kwaliteit van het eigen ruwvoer. Dat blijkt uit het Boerderij-webinar ‘Verdien geld met voerefficiëntie’. Nico Woudenberg, sectormanager rundvee bij De Heus Voeders, toonde aan dat bij daling van de ruwvoerkwaliteit van 950 VEM naar 850 VEM per kilo droge stof, door correctie met krachtvoer de daling van de voerefficiëntie beperkt blijft tot 0,06. Dat leidt wel tot een € 0,77 lager voersaldo per koe per dag, en dat betekent op bedrijfsniveau toch € 25.000 per jaar. Alle reden dus om te werken aan een hoge ruwvoerkwaliteit als uitgangssituatie. Daarin past een hoogenergetisch product als snijmais. Daar stak Arjan Lassche, Agro Service Manager bij KWS op in. Meer energie per kilo droge stof is onder meer haalbaar door snijmais hoger te stoppelen of te oogsten als mks. Dat verhoogt immers de zetmeelhoeveelheid per kilo droge stof, en zo ook de VEM per kilo droge stof.
De voerefficiëntie van een veestapel wordt flink beïnvloed door de ruwvoerkwaliteit.
Voor extra opbrengst in kilo’s droge stof en productie van eigen eiwit geeft hij ook aan dat een tussenteelt met snelle lenterog- ge, of een derde gewas als voederbieten in de vorm van Feedbeet, daar uitstekend in past.
Frens Hoeve, accountmanager bij Speer-
stra Feed Ingrediënts ging in op de huidige kuilkwaliteit. De vroege eerste snede is nat en snel verteerbaar met veel melkzuurvor-
ming. Pensverzuring ligt daar op de loer. De late eerste snede is juist traag en heeft veelal een scheve energie/eiwitverhouding. Hij geeft aan dat verschillende producten zowel de melkzuurafbrekende bacteriën als ook de celwandafbrekende bacteriën kunnen stimuleren. Voor een constante aanvoer van stikstof in de pens is er ook langzaam vrijkomende ureum beschik- baar.
Nieuwe grenzen voor waardering biestmanagement
Royal GD heeft de bloed- waardegrens IgG van jon- ge kalveren aangepast.
Een van de methoden om een succesvol biestmanagement te controleren is het uitvoeren van bloedonderzoek bij kalveren. In een koppelonderzoek is dan bloed nodig van minimaal vijf kalveren tussen twee en zeven dagen oud. Dit wordt gecontro- leerd op de mate van aanwe- zigheid van immunoglobuline IgG. Tot voor kort hanteerde GD een grenswaarde van 15 gram IgG per liter bloed; de mi- nimale waarde waarbij kalveren minder kans op sterfte hebben en minder risico om ziek te
worden. GD heeft nu, na litera- tuuronderzoek en praktijkerva- ringen, de grens aangescherpt tot 18 gram IgG per liter, voor een vitaal en weerbaar kalf. Ook de presentatie van de uitslag is veranderd. Scoort bij de koppeluitslag meer dan een kwart van de kalveren onder 10 gram IgG per liter, dan moet het biestmanagement beter. Als meer dan 50% onder 18 gram IgG per liter scoort is er ruimte voor verbetering en bij meer dan 75% boven 18 gram IgG per liter is het biestma- nagement goed.
Het biestmanagement is een samenspel van factoren. Het hangt niet alleen af van de biestkwaliteit, maar ook van
bevat. Streef naar een opname van ten minste 250 gram IgG in de eerste levensdag. Dit is erg belangrijk voor de weerstand. Wees ervan bewust dat de eer- ste biest de hoogste IgG-con- centratie bevat. Bij de tweede biest is deze concentratie al gehalveerd.
Geef een kalf zo snel mogelijk na de geboorte goede kwaliteit biest. Als het kalf niet wil drin- ken, geef het dan via een fles of eventueel een sonde.
de vraag hoeveel biest het kalf binnenkrijgt en op welk tijdstip na de geboorte.
GD meldt dat goede biest ten minste 50 gram IgG per liter
BOERDERIJ 107 — no. 5 (26 oktober 2021)
In de eerste uren na geboorte kan het kalf de antistoffen uit de biest goed opnemen vanuit de darm naar het bloed. Vanaf het vierde levensuur daalt dit sterk en na 24 uur is de darm gesloten voor dit proces. Daar- na is verstrekken van biest nog wel zinvol, maar dan werken de antistoffen alleen nog op darmniveau, oftewel binnen de darm.
41
FOTO: HANS BANUS
FOTO: JAN WILLEM SCHOUTEN
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84