“Afhankelijk van het type projecten – bij eenvoudige projecten is de uitvoering doorgaans meer standaard – komen er dankzij die vrijheid zeker innovaties uit, waarbij marktpartijen andere oplossin- gen bedenken dan de referenties van de aanbestedende dienst. Die referenties zijn overigens ook niet altijd bekend.”
Geïntegreerde bouwcontracten Birnage beschikt over uitgebreide erva- ring met geïntegreerde bouwcontracten, DBFM(O)-contracten, concessies en an- dere innovatieve contractvormen. Daar- naast ontstonden ook vele publiek-pu- blieke samenwerkingsovereenkomsten (convenanten) onder zijn toezicht. Bin- nen DBFM-contracten is de verantwoor- delijkheid voor projecten ook juridisch bij de markt komen te liggen. “Dat is wel moeilijk gebleken voor de markt. Want je kunt als uitgangspunt wel hebben dat de opdrachtnemer verantwoordelijk is voor de uitvoering, maar de volgende vraag is of zij het ook altijd succesvol kunnen oppakken.”
Passend minimum Kpi’s zoals het aantal VVU’s (voertuig- verliesuren) vormen een goed criterium om de prestaties van opdrachtnemers te meten waar het gaat om verkeershin- der tijdens de realisatiefase. “Het is dan wel zaak de juiste minimale hoeveelheid vast te stellen. Als je die te voorzich- tig inschat, halen te veel partijen mak- kelijk de maximale score en is het niet langer onderscheidend”, stelt Birnage. “Anderzijds, als je geen minimum han- teert, maar inzet op nul overlast, kun je als aanbesteder het verwijt krijgen dat je geen realistische eisen stelt. Dat wil je ook niet. Het bepalen van het passende minimum is dus best lastig.” Daarnaast wijst hij erop dat in de risicobeheers- plannen opdrachtnemers doorgaans ook gevraagd wordt welke maatrege- len zij nemen om risico’s als verkeers- hinder te beheersen. “En dan vooral het risico dat beheerder of stakeholders niet tevreden zijn over de oplossing. RWS wil daarom graag weten hoe zijn assets eraan toe zijn, welke keuzes opdracht- nemers maken en met welke risico’s de dienst na afloop van het contract mee te maken kan krijgen.”
Mark Birnage
Theorie versus praktijk De geïntegreerde uitbesteding met DBFM biedt de overheid verschillende voordelen. Omdat het ontwerp en de bouw van het project, de financiering en het totale onderhoud in één hand zijn, was de verwachting onder meer dat ook het aantal voorstellen tot wijziging lager zou zijn dan bij andere contracten. Bir- nage zet daar vraagtekens bij. “Hoewel ik het nooit onderzocht heb, is mijn in- druk dat het aantal wijzigingen niet erg afwijkt van andere contractvormen. Wel trekken dergelijke issues natuurlijk altijd de aandacht”, zegt hij.
Ook het onderwerp waar het om draait, heeft invloed op het aantal wijzigingen. Daarbij staat de theorie soms op ge- spannen voet met de praktijk. “Als er raakvlakken zijn met de buitenwereld en een systeem moet aansluiten op een bestaand systeem, dan kun je het he- lemaal niet functioneel specificeren. Daar komt bij dat het soms wellicht lijkt dat een werk heel functioneel gespeci- ficeerd is, maar er toch heel veel voor- geschreven blijkt, bijvoorbeeld in richt- lijnen en normen van RWS. De kans bestaat dat die op uitvoeringsniveau vrij specifiek zijn, wat het voor de opdracht- nemer een stuk lastiger maakt. En dus krijg je net als bij andere contracten de- zelfde wijzigingsvraagstukken.”
Geen afstand Aan de andere kant denkt Birnage wel dat opdrachtnemers doorgaans vol- doende in beeld hebben welke doelen
38 Nr.4 - 2019 OTAR
RWS en stakeholders nastreven en hoe zij kunnen bijdragen aan het realiseren van die doelen. “Wat een opdrachtge- ver wil bereiken, is dat stakeholders te- vreden zijn. Dat onderdeel vormt een vaste component van de uitvraag en daar is veel aandacht voor. En omdat inschrijvende partijen erop kunnen sco- ren, willen zij de doelen ook graag goed begrijpen”, verklaart hij. “Een ander on- derdeel van de uitvraag zijn de risico’s, issues waar inschrijvers zo goed mo- gelijk maatregelen op moeten nemen. Dus ook daarin verdiepen zij zich ter- dege met behulp van Q&A’s tijdens de dialoogfase om dat zo helder mogelijk in hun aanbieding op te schrijven.”
Of opdrachtnemers tijdig RWS en sta- keholders op de hoogte brengen van tegenvallers op het vlak van tijd, kwa- liteit of financiën, vindt Birnage moeilijk te zeggen. “Natuurlijk zullen zij af en toe de neiging hebben om bepaalde zaken niet te melden en proberen die zelf op te lossen, maar dat is binnen DBFM-con- tracten niet erger dan bij andere con- tractvormen”, zegt hij. “Bovendien is er geen sprake van een volledig afstan- delijke behandeling door de opdracht- gever, dat hij na aanbesteding nergens meer op let. Daar komt bij dat ook de technisch adviseur op gezette tijden rapporteert over de voortgang van een project en over eventuele issues. Dus is er al met al best veel toezicht. Het ver- zwijgen van tegenvallers is in mijn ogen dan ook een beetje een overdreven ver- haal.”
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48