This page contains a Flash digital edition of a book.
klachtenregeling 41


COMMENTAAR


en bedriegen is door het RTG niet geconstateerd. Wel is duidelijk dat partijen lijnrecht tegenover el- kaar staan, maar dat wil niet zeggen dat de een of de ander dan liegt of bedriegt. Voorts staat het de tandarts vrij om zich tot de politie te wenden als hij zich bedreigd voelt; dit grondrecht heeſt iedere burger. Het RTG kan niet vaststellen dat aan klager is toegezegd dat de behandeling gratis zou zijn. Wel staat vast dat de gemoederen hoog opliepen en dat klager op enig moment de praktijk heeſt verlaten met de woorden “Kom, we gaan” of woorden van gelijke strekking. Volgens de tandarts – en dit is be- vestigd door zijn assistent die ter ziting aanwezig was – is toen een uitdraai van de patiëntenkaart aan klager meegegeven, hetgeen door klager wordt bestreden. Ook hier kan het RTG niet vaststellen wat er feitelijk heeſt plaatsgevonden. De tandarts had van het beëindigen van de tandarts-patiëntrelatie deugdelijk verslag moeten leggen, niet (alleen) op de patiëntenkaart maar ook in een schriſtelijk stuk met de vermelding dat ook de patiëntenkaart (het medisch dossier) is meegegeven; hetzij in een aan- getekende brief aan klager hetzij door diens onder- tekening van een schriſtelijke verklaring ter plaatse, of anderszins. Op grond van artikel 7:460 BW kan de behandelovereenkomst door de behandelaar enkel worden opgezegd wegens gewichtige redenen. Het RTG wil aannemen dat op en na 5 juni 2012 sprake was van een zodanig verstoorde tandarts-patiëntre- latie dat de tandarts op die grond de behandelover- eenkomst met klager mocht beëindigen. Wel dient de tandarts ervoor te zorgen dat klager verzekerd is van opvolgende (tandheelkundige) zorg. De conclu- sie is dat de tandarts in strijd heeſt gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van klager behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47 lid 1 Wet BIG.


BESLISSING het RTG legt de tandarts een berisping op.


(terecht) naar het dossier”


herhaaldelijk


Mr. dr. Wolter Brands “CKC wijst


Ook de echtgenote van klager diende bij de KNMT en het RTG een klacht tegen de tandarts in over het feit dat zij buiten haar wil als patiënt zou zijn uitgeschreven. Ook hier verklaarde de CKC de klacht ongegrond, het RTG legde de tandarts een waarschuwing op.


NEDERLANDS TANDARTSENBLAD > 30 oktober 2015


Zoals het RTG terecht stelt, heeſt het een zelfstandige taak en is het niet gebonden aan het oor- deel van de CKC. Formeel klopt dat. Toch draagt een uiteenlo- pende beoordeling van dezelfde klacht niet bij aan het leerpro- ces van de beroepsgroep. Een RTG zou daarmee rekening kunnen houden door, net als de civiele rechter vaak doet, inhoudelijk te motiveren waarom men van een uitspraak van de CKC afwijkt. Ik krijg om meer redenen de krie- bels bij de (samenvating van de) tuchtuitspraak. Dit betreſt in de eerste plaats de terloopse opmer- king dat een dossier niet primair bedoeld is als bewijs in een pro- cedure. Feitelijk is het niet inte- ressant waarvoor het dossier bedoeld is, maar of het als bewijs- middel kan dienen. Doorgaans wordt aangenomen dat wat in het dossier staat juist is, tenzij het tegendeel blijkt. Immers als op een juiste manier aan de dossier- plicht is voldaan, volgt hieruit dat het dossier een betrouwbaar ver- slag is en als bewijsmiddel kan dienen. Waarom tandartsen dan schrik aangejaagd moet worden als zou hun enige verweermiddel in een tuchtzaak maar betrekke- lijke waarde hebben, wordt ver- der ook niet duidelijk. Zo verwijst het CKC zelf (terecht) herhaalde- lijk naar het dossier en de dos- siervoering die een heel stuk beter kon. Ook een tweede opmerking verdient aandacht.


De tandarts had aangiſte gedaan tegen de patiënt en dat ook in het dossier vermeld. Dit is in een zaak waarbij geklaagd wordt over een opzegging van de relatie een zeer relevant verweer. Immers in de praktijkwijzer De WGBO in de praktijk van de KNMT worden bij agressie minder eisen gesteld aan de tandarts als het gaat om conti- nuïteit van de zorg. Verder wordt daar gesteld dat er ‘zo mogelijk’ hulp moet worden geboden bij het vinden van een opvolgend tandarts. Het RTG maakt, althans in de samenvating een laconieke opmerking over de aangiſte en legt dit verweer vervolgens zon- der motivering naast zich neer. Het gaat ook niet in op de vraag of er sprake was van een nood- geval en of klager makkelijk zelf een andere tandarts kon vinden. Ook de vraag of het voor de tand- arts mogelijk was mee te werken aan het zoeken naar een opvol- ger komt, althans in de samenvat- ting niet aan de orde. Verder vraag ik me af hoe men zich de situa- tie voorstelt. Waarom mocht niet volstaan worden met een notitie in het dossier als de tandarts het- zij niets (volgens de patiënt) het- zij alleen een uitdraai (volgens de tandarts) had meegegeven. Van- waar die aangetekende brief? De patiënt had prima door dat hij uitgeschreven was, daar ging de klacht juist over. En nog vreem- der, de emoties lopen hoog op, de patiënt loopt erg boos weg en dan moet de tandarts nog even om een handtekening vragen onder een verklaring. Ik vraag me af of dit past bij het de-escalerend gedrag dat de praktijkwijzer eist.


Wolter Brands is jurist en tandarts. Wilt u regeren op zijn commentaar: nt@knmt.nl.


NEDERLANDS TANDARTSENBLAD > 30 oktober 2015


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52