This page contains a Flash digital edition of a book.
Hoe gaan wij met ons landschap om? Volgens Eric Luiten, Rijksadviseur voor Landschap en Water ontbreekt nogal eens een integrale aanpak bij ingrepen in het landschap. Dat heeft te maken met decentralisatie van beleid en door toenemende economisering van de ruimtelijke ordening. Een gesprek over landschap, omgevingskwaliteit en verantwoordelijkheid.


Tekst: Joost Zonneveld


U pleitte onlangs voor een nationaal landschapsplan. Waarom is dat nodig?


“Ik heb dat enige tijd geleden gezegd, maar een plan is het eigenlijk nog niet. Het gaat om een antwoord op het land- schapsbeleid van de twaalf verschillen- de provincies in Nederland. Ik vond het nodig een dergelijk overzicht te maken nu het landschapsbeleid is gedecentra- liseerd en de provincies in plaats van de centrale overheid daar over gaan. Ik heb mijn kaart de Landschappelijke Consti- tutie van Nederland genoemd om aan te geven dat ik bezorgd ben over de toekomst van de grotere samenhang die ons landschap typeert en bij elkaar houdt. Maar die kaart is niet normatief, er spreekt geen ruimtelijk programma uit. Hij is bedoeld als onderlegger voor alle instanties die iets met of in het land- schap willen doen.”


Wat zijn die consequenties van dat gedecentraliseerde landschap? “Ons landschap houdt zich niet aan provinciegrenzen. Nu er geen natio- naal landschapsbeleid meer is, is het de vraag in hoeverre provincies hun beleid op elkaar afstemmen. Dat blijkt op the- ma’s als energie, water, stedelijke ont- wikkeling en krimp niet altijd het geval te zijn, iets waar de Tweede Kamer zich ook zorgen over maakt. Als Rijksadvi- seur vind ik het mijn taak daar op te wij- zen en inzichtelijk te maken wat er mo- menteel gebeurt.”


Is het een fout geweest het land schapsbeleid aan de provincies over te laten? “De Tweede Kamer heeft een paar jaar geleden besloten om het zo te doen.


Decentralisatie is te verdedigen in de zin dat het landschapsbeleid nu dich- ter bij de burgers en samen met maat- schappelijke organisaties gemaakt wordt. Maar het is ook een bezuiniging geweest en het delegeren van taken is nogal grofmazig gegaan; er was niet bepaald sprake van een warme over- dracht. Een aantal cruciale beleidsca- tegorieën is geschrapt. Nu vraagt de- zelfde Tweede Kamer zich af of het Rijk nog een visie op landschap heeft. De motie die afgelopen najaar daarover is aangenomen, spreekt boekdelen: de samenleving is bij monde van de Ka- mer op zoek naar een heldere verde- ling van verantwoordelijkheid. De be- hoefte bestaat om een betere balans te krijgen in het provinciale beleid en na- tionale belangen. We zitten nu midden in debatten over een Nationale Omge- vingsvisie en de toekomst van Nationale Parken. Staatssecretaris Dijksma heeft wel al gezegd dat van beleidsrestauratie geen sprake kan zijn. Het betekent dat de provincies over het landschap blij- ven gaan; het zal hooguit gaan om een betere aansluiting tussen regionale - en landelijke belangen.”


Welke gevolgen heeft die decentralisatie voor de rol van de Rijksadviseur? “Het Rijk heeft natuurlijk zijn eigen pro- jecten. Denk aan de update van de Af- sluitdijk, de uitvoering van het Delta- programma, de oplevering van Ruimte voor de Rivier en de voorbereiding van het sluizenprogramma. Daar in heb ik als Rijksadviseur een directe adviseren- de rol, gericht op de ruimtelijke kwaliteit en de vormgeving van het project. Van- uit een onafhankelijke positie kan ik in- houdelijk iets toevoegen en bijvoorbeeld


wijzen op consequenties van bepaalde keuzes. Soms kan dat ondersteunend zijn, soms kan een blik van buiten hel- pen om een project niet te complex te maken, maar tot de kern terug te bren- gen. Maar mijn werkveld is door de de- centralisatie van beleid wel anders ge- worden: er zijn meer spelers en die werken samen op basis van complexe spelregels. Wie weet ontwikkelt het rijksadviseurschap zich tot een natio- naal adviseurschap, zodat ook andere overheden het College van Rijksadvi- seurs om advies kunnen vragen.”


Kan dat wel? Het Rijk en provincies hebben niet altijd dezelfde belangen.


“Ik denk dat het juist mogelijk is een be- middelende rol te spelen. Dat doe ik nu ook regelmatig al. Een voorbeeld is de verbreding van het Lekkanaal bij Nieu- wegein. Die verbreding is nodig voor de scheepvaart tussen de Lek en Amster- dam. Maar in de te verplaatsen kanaal- kade zitten ondergrondse kazematten en een oude inundatiesluis. Die waren onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waarvoor een Unesco We- relderfgoedstatus wordt aangevraagd. Wat te doen met die relicten is onder- werp van hevige discussie geweest. Uit- eindelijk is het gelukt een oplossing te vinden die de meeste mensen tevreden stelt. Dertig jaar geleden zouden die ka- zematten opgeblazen zijn en een andere optie zou zijn ze weer in de nieuwe kade in te graven. Dat idee heb ik gekwalifi - ceerd als geschiedvervalsing. We heb- ben het voor elkaar gekregen de kaze- matten weg te laten halen en honderd meter verderop liefdevol terzijde te leg- gen. Die komen dus als een ‘objet trou- vé’ in het landschap te liggen. Het is een


Nr.2 - 2016 OTAR O Nr.2 - 2016TAR 7


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56