Tekst: Martijn Reinink Beeld: Tamar Smit
023
aanpak vereist G
Mondiale Om zoönose-uitbraken in de kiem te smoren, is na de
Q-koortsepidemie getracht het humane en veterinaire zorgveld nader tot elkaar te brengen. Maar wat heb je daaraan als er een zoönotisch virus uit China overwaait?
econfronteerd met de gevolgen van runder- tuberculose voor dier én mens – zieken liggen soms maandenlang te kuren in tbc-huisjes – neemt de Friese dieren-
arts Johannes Plet in 1919 het initiatief om een Gezondheidsdienst voor Dieren op te richten. Een eeuw later bestaat deze dienst nog steeds, inmiddels in de vorm van een zelfstandig opererende, private organisatie. Royal GD, gevestigd in Deven- ter, beschikt over een laboratorium waar jaarlijks zo’n vijf miljoen bepalingen worden uitgevoerd voor de veterinaire gezondheidszorg. Maar bij wijze van uitzondering worden er anno 2020 óók humane monsters onderzocht, op aanwe- zigheid van SARS-CoV-2. “Het uitvoeren van PCR-onderzoek is voor GD dagelijkse kost”, zegt Manon Houben, varkens- dierenarts en manager bij GD. “Dus toen bleek dat er extra capaciteit nodig was voor COVID-19-diagnostiek hebben we ons direct gemeld, want technisch is het onderzoek hetzelfde: het maakt niet uit of het om een virus bij een koe, een orka of een mens gaat.” Zo brengt de huidige pandemie de
humane en veterinaire wereld samen in een lab. Al is samenwerking op zichzelf niet nieuw. Een eeuw geleden trekken
artsen en dierenartsen ook samen op voor een betere volksgezondheid, blijkt uit het proefschrift van historicus Floor Haalboom, die in 2017 promoveerde op de Nederlandse bestrijding van zoönosen. Volgens haar is de roep om meer samen- werking na elke uitbraak opnieuw te ho- ren. “Het is een vorm van depolitisering, want als het aan ‘de communicatie’ of ‘de samenwerking’ ligt, is er niemand echt verantwoordelijk”, zegt ze in De Groene Amsterdammer. Dick Heederik, sinds 2002 hoogleraar One Health, herkent dat pa- troon wel. “Na elke zoönose-uitbraak zijn er zorgen, zeker wanneer het een public- healthprobleem wordt, maar is het onder controle, dan ebben die zorgen weer weg. Zo zal dat ook nu gaan. Natuurlijk blijven de experts erbovenop zitten, maar politiek en maatschappelijk verschuift de aandacht naar de achtergrond.” Toch is er in zijn ogen wel degelijk iets veranderd in de zoönosenaanpak na de Q-koortsepide- mie, die tussen 2007 en 2010 tot duizen- den chronisch zieken en bijna honderd doden heeft geleid. “Toen werd pijnlijk duidelijk dat informatie-uitwisseling tus- sen de veterinaire en humane werkvel- den moeizaam verliep. Q-koorts heeft de boel op scherp gezet, daarna hebben we grote stappen voorwaarts gemaakt.” In 2011 komt er een landelijke zoönose- structuur, inclusief maandelijks Signale-
ringsoverleg-zoönosen (SO-Z). Het RIVM geeft jaarlijks een ‘Staat van Zoönosen’ uit die vanwege hun besmettelijkheid moeten worden gemeld bij de GGD (voor mensen) of de NVWA (voor dieren). One Health maakt zijn opwachting in het on- derwijs en er ontstaan regionale netwer- ken van mensen- en dierendokters, zoals het Brabants Kennisnetwerk Zoönosen, waarvan dierenarts Houben nog altijd lid is. “In het begin was dat netwerk heel actief, met hulp van de provincie die het faciliteerde. Nu staat het op een lager pitje. We komen nog drie keer per jaar samen. Het is vooral van belang dat je el- kaar kent en van elkaar weet wat je doet.”
Winst in onderzoek Professor Heederik: “Ik denk dat de mees- te One Health-winst is te halen in het onderzoeksdomein. Want wat kun je als practicus eigenlijk in de periferie doen? De dierenarts die een dierziekte signa- leert, kan direct de huisarts bellen, maar er zal toch eerst pathologisch onderzoek moeten worden verricht. Dan is er ‘over de velden heen’ snel contact: wat is er aan hand, moeten we ingrijpen? Dat loopt veel soepeler sinds Q-koorts.” Het patho- logisch onderzoek valt onder de ‘dier- gezondheidsmonitoring’ die sinds 2002 door GD wordt uitgevoerd. “Daardoor hebben we ontdekt dat nertsen besmet
<
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92 |
Page 93 |
Page 94 |
Page 95 |
Page 96 |
Page 97 |
Page 98 |
Page 99 |
Page 100 |
Page 101 |
Page 102 |
Page 103 |
Page 104 |
Page 105 |
Page 106 |
Page 107 |
Page 108