016 Interview
antropologie gaan studeren, maar dat vond ik te maatschappelijk, daarom switchte ik na de propedeuse naar psychologie. Dát was het. Vanaf het begin was ik geboeid. Vooral de ouderen- psychologie trok me, vanwege de interactie tus- sen fysieke, sociale en psychische kwetsbaar- heid die ouderen kunnen ervaren.” Met haar mantelzorgachtergrond ligt de directe patiën- tenzorg wellicht voor de hand, maar Gerritsen valt uiteindelijk voor de wetenschap. “Ik ben ie- mand die wil weten hoe dingen in elkaar zitten. Hoe het kan dat iemands brein kapotgaat, maar vóóral hoe daarmee om te gaan.” Als ouderenpsycholoog doet ze promotie-
onderzoek naar de kwaliteit van leven in ver- pleeghuizen. Tegelijkertijd snuffelt ze aan de praktijk: ze doet wat vervangingen – met plezier – maar wanneer er een ‘mooie onder- zoekskans’ op haar pad komt, grijpt ze die met beide handen aan. En nu, zo’n twaalf jaar later, is Gerritsen dus benoemd tot bijzonder hoog- leraar. “Het was geen doel op zich, maar ik ben er wel heel blij mee. Zo’n titel helpt nu eenmaal om deuren te openen, om dingen voor elkaar te krijgen, om het belang van onderzoek naar welbevinden op de kaart te zetten.”
Woud aan concepten Al heeft het onderwerp welbevinden an sich al wel veel aandacht gehad. De laatste jaren zijn er immers allerlei concepten geïntrodu- ceerd die direct of indirect met welbevinden te maken hebben. Veerkracht, social health, eigen regie en wellicht het meest bekende concept: positieve gezondheid van Machteld Huber, die mentaal welbevinden en kwaliteit van leven als gezondheidsdimensies beschouwt. “Dat vind ik persoonlijk heel apart”, zegt Gerritsen. “Dat is contrair met alle benaderingen die ik ken. Gezondheid is onderdeel van welbevinden of van kwaliteit van leven, niet andersom. Maar als ik zie wat zij met positieve gezondheid heeft be- werkstelligd in de praktijk, dan was daar blijk- baar een voedingsbodem voor, en ik ben blij met die aandacht. In algemene zin ben ik dan weer niet zo blij met dat woud aan concepten, met al die modewoorden. Het maakt onderzoeksresul- taten die eruit voortkomen, lastig vergelijkbaar, waardoor het ook moeilijker wordt om kennis te vergroten. Beter zou het zijn om als onderzoeker te kijken welke theorievorming er is waarbij je kunt aansluiten, wat je verder kunt brengen of wat je kunt laten landen in de praktijk, dan om wéér met een nieuwe term te komen.” Voor haar eigen onderzoek put Gerritsen dan
ook uit bestaande theorieën, zoals de zogenaam- de SPF- en ZMW-theorie. Kortgezegd omvat wel- bevinden volgens deze theorieën vijf centrale elementen: comfort, stimulatie, affectie, ge- dragsbevestiging en status. “Van oudsher is de
CURRICULUM VITAE
Debby Gerritsen (1973) geboren in Winterswijk
1991-1992 propedeuse culturele
antropologie, Katholieke (nu Radboud) Universiteit Nijme- gen (KUN) 1992-1997
psychologie, specialisatie psychogerontologie, KUN
1998-2004 promotieonderzoek:
Het concept en meten van kwaliteit van leven in verpleeghuizen Vrije Universiteit
Amsterdam, afdeling
Verpleeghuisgeneeskunde 2003-2005
wetenschappelijk
projectmedewerker Stichting Verenigde Amstelhuizen
te Amsterdam 2005
psycholoog Verpleeghuis Slotervaart, Amsterdam 2006-2007
postdoc onderzoeker,
Heyendaal Instituut van de Radboud Universiteit Nijmegen
2007-heden onderzoeker, Universitair
Kennisnetwerk Ouderenzorg Nijmegen e.o., afdeling
Eerstelijnsgeneeskunde Radboudumc 2019-heden
bijzonder hoogleraar
welbevinden van kwetsbare ouderen en mensen
met chronische ziekten in de langdurige zorg
verpleeghuiszorg met name gericht op comfort en stimulatie”, zegt Gerritsen. “Ik denk dat we ons de komende jaren meer moeten gaan richten op twee andere behoeften: gedragsbevestiging, oftewel: erbij horen, en vooral: status. Iemand de ruimte geven om uniek te zijn. Dat kan op aller- lei manieren.” Een voorbeeld uit haar eigen erva- ring: “Ik interviewde twee keer dezelfde bewoner in een verpleeghuis. De eerste keer was ze som- ber, de tweede keer ging het beter. Toen hadden ze foto’s van haar als balletdanseres van vroeger opgehangen in de gang. Die liet ze aan iedereen zien; dat deel van haar werd erkend.” In dit voorbeeld heeft de bewoner dat besef
nog. Iets wat voor een grote groep kwetsbaren niet geldt. “Dat is waar, maar volgens mij is welbevinden universeel. Een van mijn doelen is om uit te zoeken waar de vijf elementen van wel- bevinden uit bestaan bij mensen die ons dat níet kunnen vertellen. Hoe we dat kunnen meten en vervolgens: hoe we dat kunnen ondersteunen. Met interventies die uitvoerbaar zijn in de da- gelijkse, steeds complexer wordende praktijk. Vroeger had je een grote afdeling met een paar bewoners die ingewikkelde zorgbehoeften hadden. Omdat kwetsbare mensen nu zo lang mogelijk thuisblijven, hebben bewoners in een verpleeghuis bijna allemaal complexe zorg- behoeften. Waardoor het vaak tussen bewoners ook nog eens heel ingewikkeld wordt: hoe kun je de één recht doen en ondersteunen, zonder dat het ten koste gaat van de ander?” Het antwoord op die vraag zien steeds meer
zorgorganisaties in specialistische afdelingen voor bijvoorbeeld jonge mensen met dementie, mensen met gerontopsychiatrische problemen en mensen met de ziekte van Korsakov. Of dat hun welbevinden ten goede komt, betwijfelt Gerritsen. “Je kunt zorgverleners specialiseren in de betreffende aandoening, maar je reduceert een bewoner ook tot zijn aandoening. Er zijn ook huizen die ervoor kiezen mensen uit de stad en mensen ‘van de boerderij’ bij elkaar te zetten. Zelf vind ik de sociotherapeutische leefmilieus interessant: meer kijken naar de gevolgen. Dus niet naar de aandoening maar bijvoorbeeld: wie hebben er last van prikkels? Plaats die bewoners bij elkaar op een afdeling met weinig prikkels. Maar laten we de realiteit niet uit het oog ver- liezen: huizen moeten ook gewoon zorgen dat plaatsen gevuld zijn om te kunnen blijven be- staan.” Om daar, na een korte overpeinzing, toch aan toe te voegen: “Ik zou het wel goed vinden wanneer welbevinden een factor zou zijn bij plaatsing.” Nóg beter zou ze het vinden wanneer welbe-
vinden een ‘leidend principe’ zou worden in de langdurige zorg. Want dat is het, alle aandacht en concepten ten spijt, nog niet. “De eerste COVID-19-golf heeft wel aangetoond dat het soci-
<
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92 |
Page 93 |
Page 94 |
Page 95 |
Page 96 |
Page 97 |
Page 98 |
Page 99 |
Page 100 |
Page 101 |
Page 102 |
Page 103 |
Page 104 |
Page 105 |
Page 106 |
Page 107 |
Page 108