NAAM Herman Pierre Repping
MISSIE Korea, 1951-1952
RANG, FUNCTIE Matroos 1, kanonnier 1
Herman Pierre Repping
Op weg naar de oost
O
p vrijdag 16 maart 1951, om klokslag 12.00 uur, verliet torpedojager
Hr.Ms. Van Galen met naamsein D803 op zijn boeg onder commando
van KLTZ A.M. Valkenburg de marinehaven in Den Helder. Het kon bijna een zusterschip zijn van de Evertsen, Piet Hein en Kortenaer, voormalige S-klasse jagers van de Britse marine. De Van Galen behoorde tot de N-klasse en de uiterlijke verschillen beperkten zich in hoofdzaak tot het geschut. De Van Galen bezat drie dubbelloops kanonnen van 11,9 cm met lichte bepantsering rondom, maar open aan de achterzijde. Deze sche- pen hadden in WO II deelgenomen aan vele acties en waren ingedeeld bij de Amerikaanse 7e vloot. De route naar Zuid-Korea was als volgt: Middellandse Zee, Gibraltar en door het Suezkanaal richting Colombo, Sri Lanka. Gedurende de heen- vaart werd er goed geoefend met man overboord, luchtdoelschieten, scheepsschade door treff ers, met gewonden, en je kon zo gek niet kijken of de 1e offi cier had wat nieuws bedacht. Wij arriveerden in Colombo en meerden af op de boei. Er werd olie geladen, vers water en victualie, en het personeel dat niet nodig was mocht even de benen strekken aan de wal, maar wel in lang wit uniform.
Boete Twee scheepsmaten gingen ook van boord met de sloep en meerden af bij een pier waar de douane voor oponthoud zorgde. Een van de douanebeambten merkte op dat Cees, een van de scheepsmaten, een grote bult had in zijn zij. ‘Het is een fl es water, kijk maar’, zei Cees tegen
-
de douanebeambte. Hij had bij de onderoffi cier een fl es jenever geritseld. Maar toen hij de fl es ter inspectie wilde overhandigen, liet hij ‘m per onge- luk vallen. Dat werd dus een boete, en hij had al zo weinig vreemd geld opgenomen bij de offi cier van administratie. Cees en zijn maat zochten een kroegje op en werden verwelkomd door twee Nederlandse be- manningsleden van een koopvaardijschip dat net kolen had gelost. Na een poosje ging de bar dicht en gingen de marinemensen mee aan boord van het koopvaardijschip. Daar was nog drank. Aan boord werd natuurlijk ook het nodige genuttigd, totdat het op was. Een van de koopvaardijmannen zei tegen Cees dat in het kolenruim nog drank was, waarna Cees op zoek ging. De Van Galen zou ’s ochtends vroeg weer naar zee gaan, en de koopvaarder vroeg met zijn sein- lamp aan de torpedojager of ze de twee matrozen wilden komen ophalen. Toen ze weer aan boord van de Van Galen kwamen, ging Cees voor de Nederlandse vlag in de houding staan, groette, ging even met zijn schoen achterlangs zijn lange witte broek, en zei tegen de offi cier van de wacht: ‘Meneer, terug aan boord, en mijn schoenen zijn gepoetst.’ Het werd tien dagen arrest met werk- zaamheden. Ik, de schrijver, zie ze nog voor me, zwart als roet: ze waren met hun witte kleding door het lege kolenruim gestrompeld.
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92 |
Page 93 |
Page 94 |
Page 95 |
Page 96 |
Page 97 |
Page 98 |
Page 99 |
Page 100 |
Page 101 |
Page 102 |
Page 103 |
Page 104 |
Page 105 |
Page 106 |
Page 107 |
Page 108