search.noResults

search.searching

dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
12


Veteranen- lezing


Je bent gespecialiseerd in ‘herinneringscultuur’. Wat versta je daaronder? ‘Met de term ‘herinneringscultuur’ doel ik op de omgang met het verleden en op de manier waarop her- inneringen worden overgedragen. Die overdracht van herinneringen gebeurt op individueel en op collectief niveau. Herinneringen kunnen in een familie bijvoorbeeld via verhalen en foto’s aan volgende generaties worden door- gegeven, maar een samenleving als geheel heeft ook een manier om met het verleden om te gaan en de herin- nering daaraan levend te houden. Ik heb me in mijn onderzoek naar herinneringscultuur vooral gericht op de vraag hoe Nederland als collectief omgaat met de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Dat bracht ik in kaart door te kijken hoe in oorlogs- en verzetsmusea en in herinnerings- centra de herinnering aan de oor- logsjaren wordt vormgegeven. Welke aspecten van de oorlog accentueert men, welke krijgen minder aandacht? Overigens beperkt herinneringscultuur zich niet tot musea; ook literatuur, theater, beeldende kunst en film maken er deel van uit.’


J


Je ziet dat het beeld dat in de musea van de oorlog werd gepresenteerd in de loop der jaren veranderde. ‘Ja, herinneringscultuur is een dynamisch gegeven. Historici die geschiedenis beschouwen als een ver- zameling vaststaande feiten worden soms wat ongemakkelijk van dat idee, maar de manier waarop wij omgaan met de herinnering aan de oorlog en de plek die we de oorlog geven in onze samenleving is voortdurend aan verandering onderhevig.’


Welke veranderingen heb je waargenomen? ‘In de eerste pakweg vijftien jaar na de oorlog was er vooral aandacht voor heldhaftige daden en verzet tegen de bezetter. Nederland had in die periode één Nationaal Oorlogsmuseum in Overloon. In 1946 werd het daar ingericht omdat er twee jaar eerder een tankslag had plaatsgevonden. Voor andere aspecten van de oorlog, bijvoorbeeld de Jodenvervolging, was nog nauwelijks oog. Achteraf kun je zeggen dat er toen een vorm van verdringing heeft plaatsgevonden. In de jaren zestig deed zich een kentering voor: er kwam veel meer oog voor oorlogsslachtoffers. Loe de Jongs televisieserie De Bezetting en vooral de boeken van Jacques Presser over de Jodenvervolging droegen daar sterk aan bij. Dit was een periode van bewustwording. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig – de naoorlogse generatie was toen volwassen – verschoof het accent naar morele en politieke lessen die we zouden moeten trekken uit de oorlog. Dat paste in het tijdsbeeld. De Tweede Wereldoorlog ging vanaf toen gelden als een moreel ijkpunt. Bij


NIOD-historicus Erik Somers (1958) spreekt tijdens de Veteranenlezing op 12 april 2021 over de aandacht van naoorlog- se generaties voor de Tweede Wereldoorlog. Hij is gespecia- liseerd in herinneringscultuur, foto-historisch onderzoek en museale presentaties. Hij is een van de initiatiefnemers van De Tweede Wereldoorlog in honderd foto’s, een fototentoonstelling van door burgers aangedragen foto’s uit WO II, die nu te zien is in het Verzetsmuseum in Amsterdam en in het Tweede Kamergebouw in Den Haag. Somers adviseert oorlogs- en verzetsmusea en herinnerings- centra bij hun (her)inrichting. In 2014 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar de manier waarop in Nederlandse oorlogs- en verzetsmusea en herinne- ringscentra vormgegeven wordt aan de herinnering van WO II.


het Kamp Westerbork bijvoorbeeld – waarvan de laatste barakken eind jaren zeventig waren gesloopt – werd in 1983 een herinneringscentrum ingericht. Het verhaal van de vervol- ging moest je niet wegmoffelen, vond men, maar op de plek zelf vertellen. In die periode ontstonden ook de eerste verzetsmusea. Aan het eind van de jaren negentig deed zich een verschuiving voor van grote geschiedenis naar regionale geschiedenis en naar meer per- soonlijke verhalen. Er kwamen meer herinneringscentra, Kamp Vught bijvoorbeeld, en verschillende klein- schalige, plaatselijk georiënteerde musea. Bestaande musea pasten hun opstelling aan op die tendens naar kleinere en lokale verhalen. Al met al kun je zeggen dat de verhalen die verteld en de accenten die gelegd werden, door de jaren heen en met de generaties veranderden.’


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72  |  Page 73  |  Page 74  |  Page 75  |  Page 76