de komende jaren moeten plaatsvinden, van groot belang om een eenduidig meet- syteem te hebben waarmee dit kan wor- den gevalideerd. De automotive sector heeft het belang van een eenduidig meet- systeem ingezien en dit ontwikkeld. Er dient eenduidig monitoring plaats te vin- den van de wijze waarop emissies tot stand worden gebracht, afhankelijk van het soort materieel en de belasting in relatie tot de te verrichten werkzaamhe- den.
Ook voor veiligheidsissues is het ont- wikkelen van standaarden noodzakelijk (normeringen, aansluitingen, e.d.). De nieuwe vraagstukken vanuit het werken met hogere voltages in grote machines, of met explosief en vluchtig waterstof- gas, zullen van gebruiker tot aan nood- diensten goed moeten worden doorleefd. Voorkomen moet worden dat ongelukken bij de ontwikkeling ervan, gaan leiden tot het stilvallen van deze transitie. Voor deze standaardisatie is nog geen onder- zoeksgeld beschikbaar, waardoor het ontbreken van standaarden een drempel kan worden bij de transitie naar seriema- tige productie.
Circulariteit en CO2 -footprint
-footprint’ van het in te zetten materieel moet verminderen. Niet alleen moet de focus liggen op het gebruik van emissieloos materieel op de bouwplaats, ook moet duidelijk worden gemaakt op welke wijze de productie van het (nieuwe) materieel tot stand is gekomen. Ook moet inzichtelijk worden gemaakt wat voor een oplossingen ‘retrofit’ te bieden heeft,
De reductie van emissies moet een onderdeel zijn van een aanpak waarbij de totale ‘CO2
waarbij de verbrandingsmotor wordt ver- vangen door een elektromotor en wat er met het ‘oude’ bouwmaterieel gaat gebeuren. Het blijven gebruiken van het ‘oude’ materieel met verbrandingsmotor op andere plaatsen leidt per saldo niet tot dalende emissies elders in Nederland of in Europa. De transitie is niet alleen gebaat met de versnelde ontwikkeling en inzet van emissieloos materieel, maar ook met heldere afspraken tussen de overheid en marktpartijen wat er met het ‘oude’ materieel gaat gebeuren.
Uitvraag en financieel perspectief
De emissieloze bouwplaats is niet alleen een technologisch en duurzaamheids- vraagstuk. Maar ook een aanbestedings- vraagstuk en een financieel vraagstuk. Om met het laatste te beginnen. Emissie- loos materieel is (momenteel) kostbaar. De TCO (Total Cost of Ownership) gedu- rende de gebruikersfase van het mate- rieel moet aanzienlijk dalen om gebruik op grote schaal mogelijk te maken. ENI werkt samen met de producenten van zwaar materieel, door onder meer vroeg- tijdig en gezamenlijk dit materieel te bestellen, gebruikerservaringen te delen, waardoor dit materieel sneller ontwikkeld kan worden.
De investeringen die noodzakelijk zijn om dit materieel aan te schaffen, moet goed worden afgestemd op de behoefte van de opdrachtgevers die dit materieel ingezet willen zien. Door meerjarig per- spectief te bieden als opdrachtgever, bieden ook financiers eerder ruimte aan bouwers om de noodzakelijke investe- ringen te kunnen doen. De wijze waarop
Spuitwagen full electric | foto Heijmans
‘emissieloos aanbesteden’ het beste kan plaatsvinden, is een zoektocht waarbij afstemming tussen publieke opdracht- gevers onderling gewenst is. In de aan- besteding moet ruimte worden geboden voor een dialoog (tussen opdrachtge- ver en opdrachtnemer) over vraagstuk- ken die nog opgelost moeten worden ná gunning. Dit vergt creativiteit en lef van opdrachtgevers en opdrachtnemers. Op dit vlak is nog veel kennis te ontwikke- len. Het vroegtijdig delen van ervaringen helpt dan. ENI verzamelt deze leererva- ringen en biedt deze aan voor opdracht- gevende partijen en kennisinstellingen.
Samen kennis ontwikkelen Bij alle onderwerpen die zijn beschreven in dit artikel, wordt met iedere stap meer kennis opgedaan. Het is essentieel om tijdens de transitie geregeld overleg te hebben tussen publieke en private par- tijen om onderzoek te (laten) doen, als om kennis uit te wisselen over de desbe- treffende vraagstukken over de grenzen van betrokken organisaties en sectoren heen. Een gemeenschappelijke kennisa- genda waarin de bovengenoemde vraag- stukken aan de orde komen, is nodig om samen de transitie goed in te kunnen zet- ten.
Full electric mini-kraan | foto Heijmans
In ENI zitten de koplopers, maar een duurzame transitie is alleen mogelijk indien koplopers en peloton geregeld afwisselen. Indien opdrachtgevers bij aanbestedingen ook nog meerjarig finan- cieel perspectief kunnen bieden, kun- nen investeringen in emissieloos mate- rieel door de opdrachtnemers worden gedaan. Een goed afgestemde transitie- agenda voert het tempo op en zorgt er voor dat er de komende jaren snel pilot- projecten van een emissieloze bouw- plaats gaan komen.
OTAR Nr. 7 - 2020 51
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64