COLUMN BOERENLEVEN
Schreeuwen H
et was me nooit zo opgevallen tot ik een paar keer achter elkaar ouders hoorde zeggen dat het maar goed was dat ze niet in een nieuwbouw- wijk woonden. De buurt zou knettergek worden van het kindergeschreeuw, dachten ze. Vanaf toen ging ik er eens op letten en inderdaad: kin- deren op een boerderij lijken een enorm stemvolume te hebben. Ik heb nooit een decibelmeter omhoog gehouden, maar bedacht later dat het misschien wel leuk zou zijn om eens te doen. Op vrij- wel elke smartphone is er wel een app voor te installeren. Allemaal niet wetenschappelijk verantwoord natuurlijk, maar wel geinig. Als agrarische ouders overal in het land nu eens een meting doen en die delen op social media? Ik pleit bij deze voor de hashtag #boerderijkindergeluid. Voor zover ik na kan gaan, is er nooit onderzocht of boeren- kinderen harder schreeuwen dan andere kinderen. Ze kunnen er allemaal wat van en de meeste psychologen verklaren dat eenvou- dig: kinderen willen gehoord worden. En hoe meer kinderen er zijn, hoe harder je daarvoor moet schreeuwen. Daarom gaat het in speeltuinen, op schoolpleinen, of tijdens kinderfeestjes altijd zo tekeer. Daar zijn veel kids bij elkaar. Als je de aandacht wilt trek- ken, zul je er een schepje bovenop moeten doen qua volume. Op een boerderij zijn het niet zozeer andere kinderen die overstemd moeten worden, het zijn meer de grotere afstanden die schreeuwen noodzakelijk maakt. Je kunt natuurlijk naar je ouders toe lópen om ze iets te vragen of te zeggen, maar waarom zou je als je ook heel hard vanachter uit de tuin kunt schreeuwen? Schreeuwen is dus gewoon coping gedrag, een manier om met een bepaalde situatie te dealen. En toch heb ik het idee dat boer- derijkinderen harder schreeuwen dan kinderen in dorp of stad. Daar worden ze namelijk, buiten schoolpleinen en feestjes om, gemaand om een beetje zachtjes te praten en rustig te doen. Annie M.G. Schmidt schreef er ooit een liedje over: ‘Niet met de deuren slaan. Ja zuster, nee zuster. Niet op de stoelen staan. Ja zuster, nee zus- ter. Denk aan de buren. Ja zuster, nee zuster. ’t Zijn heel dunne muren.’ Op boerenbedrijven zijn er meestal geen nabije buren. De koters hoeven dan ook niet steeds tot stilte gemaand te worden. Niemand die ermee zit, het valt pas op buiten de boerderij om. Of als er men- sen op bezoek zijn, zoals ik. Maar ik vind het juist wel vermakelijk als er om het hardst geroepen wordt dat ik echt even de skelter of traptrekker of het konijn-met-jongen moet komen bekijken. Ineens bedenk ik me dat schreeuwen niet alleen de kinderen zelf wat oplevert, maar ook de ouders. Een boerenerf is groot en niet altijd helemaal te overzien. Maar als de kinderen schreeuwen, weet je tenminste waar ze zitten. Eigenlijk is het pas zorgelijk als ze stil zijn.
BOERENKINDEREN PRATEN NIET, ZE SCHREEUWEN. GELUKKIG MAAR.
BOERDERIJ 104 — no. 24 (12 maart 2019)
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84