search.noResults

search.searching

saml.title
dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
De benoeming van een executeur: een vergelijking tussen oud erfrecht en het huidige erfrecht


om een bewindvoerder te kunnen benoemen (art. 4:153 lid 1 BW). Alleen de benoeming van een persoon tot executeur/ afwikkelingsbewindvoerder is dus niet voldoende. Ten tweede is de afwikkelingsbewindvoerder niet zonder meer bevoegd om de nalatenschap te verdelen (art. 4:166 BW). Die bevoegdheid dient hem uitdrukkelijk te worden toegekend (art. 4:171 lid 1 BW).


Executeursbenoeming en feiten vermeld in de verklaring van erfrecht/executele


Art. 4:188 lid 1 BW geeft een enuntiatieve/verduidelijkende opsomming van wat in een verklaring van erfrecht kan worden opgenomen. Bijzonder is dat de persoonlijke gegevens van de erflater niet in het rijtje in de wet genoemd staan. Het is gebruikelijk dat de verklaring van erfrecht/ executele daarmee aanvangt. Voor de opsomming gaat de wet uit van de meest voor de hand liggende gegevens, die vaak rechtstreeks uit de uiterste wil worden overgenomen. Omdat executeurs, bewindvoerders en vereffenaars de bevoegdheden van de erfgenamen ten aanzien van de nalatenschap aanzienlijk kunnen beperken (denk aan de eventuele beheersbevoegdheid van deze drie functionarissen en de privatieve vertegenwoordiging van executeur en vereffenaar), is het voor derden van belang om te weten wat die bevoegdheden precies zijn. Het verdient aanbeveling om een letterlijke beschrijving van die bevoegdheden in de verklaring van erfrecht/executele op te nemen, gelijkluidend aan de tekst van de uiterste wilsbeschikkingen (of onder oud erfrecht: de tekst van het codicil of de bijzondere notariële akte), omdat de wet legio mogelijkheden geeft om van de in de wet omschreven bevoegdheden of regelingen af te wijken. Als sprake is van een executeur die niet het beheer van de nalatenschap heeft, moet dit - voor een juiste voorstelling van zaken – ook in de verklaring van erfrecht/executele worden vermeld.


Conclusie


Ook vandaag de dag is het oude erfrecht (zoals dat luidde vóór 1 januari 2003) nog van belang in het kader van benoemingen van executeurs. Zo moet men bijvoorbeeld nog steeds alert zijn op de benoeming van een executeur bij codicil of bijzondere notariële akte van vóór 2003 en is kennis van de terminologieën en bepalingen omtrent executele van het oude erfrecht noodzakelijk.


Aan legitimarissen in een vóór 2003 opengevallen nalatenschap kwam een oude legitieme portie toe, ook wanneer de afwikkeling van de betreffende nalatenschap plaatsvond onder het nieuwe recht (art. 128 ONBW). Onder oud erfrecht werd het bezit van een executeur beschouwd als een inbreuk op de rechten van een legitimaris (HR 24 februari 1933, NJ 1933/645: ‘Bunker/Amsterdamsche Bank’): legitimarissen hebben het recht om ‘zonder eenige beperking, vrijelijk over hun wettelijk erfdeel te beschikken’. Die inbreuk, een zogeheten inferieure making, hoefde men niet te dulden. Art. 128 lid 2 ONWB stelde termijnen: ‘Degene die tot aan het tijdstip van het in werking treden van de wet volgens het tevoren geldende recht zijn bevoegdheden als legitimaris kon uitoefenen, behoudt die bevoegdheden gedurende een jaar nadien, indien de erflater ten minste vier jaren vóór dat tijdstip is overleden. Is de nalatenschap later, doch vóór het in werking treden van de wet opengevallen, dan behoudt de legitimaris zijn bevoegdheden totdat sedert het overlijden van de erflater vijf jaren zijn verstreken’. Legitimarissen konden dus hun rechten naar oud erfrecht slechts gedurende bepaalde termijnen uitoefenen. Die termijnen zijn inmiddels al lang verstreken.


Legitimarissen in een na 31 december 2002 opengevallen nalatenschap hebben recht op de huidige legitieme portie (art. 68a en art. 128 ONBW). In een ‘nieuwe’ boedel levert een oude executeursbenoeming geen inferieure making op. Een legitimaris kan zich dus niet bevrijden van die executeur (vgl. art. 4:75 lid 1 BW).


Verdieping


Executeursbenoeming onder oud recht en de legitieme: leidt dit tot een inferieure making?


www.fbn.nl/pe-notariaat


27


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44