search.noResults

search.searching

saml.title
dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
Ondernemingsrecht fiscaal


Wanneer het overlijden van de


vruchtgebruiker voorzienbaar is, kan men om die reden overwegen nog tijdig bij de vruchtgebruiker belastbaar inkomen te creëren door dividend uit te keren.


Dit verlies is verrekenbaar met ander box 2-inkomen van de vruchtgebruiker in het jaar van overlijden of in het voorafgaande kalenderjaar (art. 4.49 Wet IB 2001). Ingeval de vruchtgebruiker geen partner heeft bij overlijden, kan het verlies niet aan deze partner worden toegerekend (hetgeen hierna onder ‘Overlijden van de vruchtgebruiker: tax creditregeling’ wordt behandeld) en komt verliesverrekening in de zes volgende kalenderjaren niet aan de orde. Het box 2-verlies dreigt dan te verdampen. Wanneer het overlijden van de vruchtgebruiker voorzienbaar is, kan men om die reden overwegen nog tijdig bij de vruchtgebruiker belastbaar inkomen te creëren door dividend uit te keren.


Overlijden van de vruchtgebruiker: tax creditregeling


In de overlijdensaangifte van de vruchtgebruiker kan geen beroep worden gedaan op de zogeheten tax creditregeling (omzetting verlies bij einde aanmerkelijk belang in een belastingkorting) van art. 4.53 Wet IB 2001 in geval een box 2-verlies resteert en de vruchtgebruiker geen partner heeft. Op basis van deze regeling wordt een niet verrekend box 2-verlies op verzoek van de belastingplichtige omgezet in een belastingkorting na het einde van het aanmerkelijk belang. Bij overlijden van de vruchtgebruiker zonder partner kan niet worden verzocht om toepassing van deze belastingkorting in de overlijdensaangifte, omdat de vruchtgebruiker ten tijde van het overlijden nog een aanmerkelijk belang had, namelijk het vruchtgebruik. Voor het doen van een verzoek in het jaar van overlijden is vereist dat de vruchtgebruiker ten tijde van zijn overlijden geen aanmerkelijk belang heeft (art. 4.53 lid 1 laatste zin Wet IB 2001). Het verlies verdampt derhalve. Alleen als de vruchtgebruiker ten tijde van zijn overlijden een partner heeft, kan het in het overlijdensjaar ontstane aanmerkelijkbelangverlies in de overlijdensaangifte aan de langstlevende partner worden toegerekend, mits wordt gekozen voor voljaarspartnerschap (art. 2.17 lid 7 Wet IB 2001). De partner kan vervolgens - in het tweede jaar na het overlijden van de vruchtgebruiker - dit verlies omzetten in een belastingkorting wanneer de langstlevende partner ook


22


zelf sinds het jaar van overlijden niet over een aanmerkelijk belang beschikt. De belastingkorting leidt niet tot een teruggave maar moet kunnen worden verrekend met verschuldigde belasting in box 1. De verrekening moet uiterlijk in het negende jaar volgend op het jaar waarin het verlies is geleden, hebben plaatsgevonden (art. 4.53 lid 4 Wet IB 2001). Daarna vervalt de nog niet verrekende belastingkorting.


Benutten verkrijgingsprijs bij leven vruchtgebruiker


Het is beter om de verhoging van de verkrijgingsprijs (step up) die is ontstaan bij het overlijden van de rechtsvoorganger/ dga tijdig bij leven van de vruchtgebruiker te benutten, zodat verdamping van het potentiële box 2-verlies wordt vermeden. Dit kan door het uitkeren van het zogeheten onbelaste overlijdensdividend (op grond van art. 4.12a Wet IB 2001) binnen 24 maanden na het overlijden van de dga. Dit dividend wordt afgeboekt op de - verhoogde - verkrijgingsprijs. Het overlijdensdividend wordt overigens alleen geïncasseerd door de vruchtgebruiker. In zoverre schiet art. 4.12a Wet IB 2001 tekort in haar bedoeling bij vruchtgebruiktestamenten. De bedoeling van art. 4.12a Wet IB 2001 was namelijk dat uit het onbelaste overlijdensdividend de verschuldigde aanmerkelijkbelangheffing zou worden voldaan, welke belastingschuld ook bij de bloot eigenaar ontstaat, die echter dit overlijdensdividend niet geniet. In geval de 24 maandenperiode is verstreken, kan de step up nog worden benut door uitgifte van winstbonusaandelen gevolgd door afstempeling van deze aandelen. Deze uitreiking is onbelast (art. 4.13 lid 2 Wet IB 2001) en de verkrijgingsprijs van deze aandelen is nihil (art. 4.26 Wet IB 2001). Wanneer de winstbonusaandelen van eenzelfde soort zijn als de al bestaande aandelen wordt de – verhoogde - verkrijgingsprijs wel ook uitgesmeerd over de winstbonusaandelen, doordat een gemiddelde verkrijgingsprijs wordt bepaald (art. 4.21 lid 2 Wet IB 2001). De afstempeling van deze aandelen kan daardoor onbelast plaatsvinden tegen afboeking van de verkrijgingsprijs (art. 4.33 Wet IB 2001). Ook buiten de 24 maanden-termijn bestaan derhalve nog mogelijkheden om de step up - ontstaan bij overlijden van de dga - te benutten. Van belang is nog dat de uitreiking van winstbonusaandelen voor de dividendbelasting wel voor de nominale waarde als een belast dividend wordt aangemerkt (art. 3 lid 1 onder c Wet op de dividendbelasting). Deze dividendbelasting wordt op grond van art. 9.2 lid 1 onder b Wet IB 2001 via de aangifte inkomstenbelasting als verrekenbare voorheffing gerestitueerd aan de aanmerkelijkbelanghouder.


PE Notariaat 2021/4


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44