039
verloskundige die naast haar staat, stoot haar aan. “Tja, dat had ik ook wel kunnen constateren, dokter Heuvels”, zegt ze zacht. “Ga jij nu maar even naar kamer 58.” “Hoezo?” “Een mult met premature weeën. Hoge vliesscheur. Infuus zit er al in.” “Hoe ver is ze?” “Bij na 35 weken.” “Krij gt ze al Pre-par?’ “Nog niet.”
“Sofi e!”, roept een verpleegkundige vanuit de deuropening van één van de verloskamers. “Kun je even hier komen. We hebben een fl uxus van bij na een liter.” “Is er al bloed besteld?” “Ja, maar Nicolien wil haar eigenlij k naar de OK hebben. Even overleggen.”
Het is dinsdag 13 september 1988. Gynaecoloog Sofi e Heuvels werkt deze dag op de verloskamers van de Vrouwen- kliniek van het Academisch Ziekenhuis Leiden. Het is er hollen of stilstaan. Al sinds acht uur ’s morgens is het erg druk. Er zij n inmiddels zes baby’s ge- boren, één via een sectio. ’s Avonds om half negen keert de rust pas een beetje terug. Sofi e leunt achterover op een stoel in de koffi ekamer en bladert in een Arts & Auto terwij l ze zuinige slokjes koffi e neemt. De tv staat geluidloos aan. Door de gang worden een bed en een door- zichtig wiegje naar de kraamafdeling gereden. Ze verdwij nen door de grote witte klapdeur. Even daarna komt Sofi es collega Nicolien Bevervanger de koffi e- kamer binnen, witte jas openhangend, boterham in de hand. Ze tikt op het tij d- schrift. “Jij zou er eens uit moeten, weet je dat?” zegt ze, kauwend op het brood. “Is het zo duidelij k?” lacht Sofi e een beetje wrang. “Tuurlij k. Gewoon eff e een weekje weg. Zal je goed doen. Pierre en ik gaan over twee weken naar Sardinië. Schitterende villa met zwembad gehuurd, en uitzicht op zee. Hebben we dus via Arts & Auto.” Er komen twee coassistenten binnen. Een van hen, een jongen met punk- achtig blond haar, heeft een placenta-po in de hand.
Hij was kunstverzamelaar en woonde in een villa in Oud-Zuid. De Amsterdamse sjiek kwam er in zij n praktij k. Er hangt voor een vermogen aan schilderij en
“Hé”, roept Sofi e wij zend. “De spoelkeu- ken is dáár!”
“Doe het nou gewoon”, gaat Nicolien verder. “Dat zal Monica ook heerlij k vinden.” “Monica kan haar apotheek niet losla- ten. Ze is er meer aan verknocht dan aan mij .” Nicolien drukt de tv uit. “Zullen we straks even wat drinken in de stad?” vraagt ze. Sofi e knikt. Intussen komt een verpleegkundige met een leerling binnen. Uit de kast pakt ze een bord, beschuit, roomboter en muisjes. “God, god”, zegt ze. “Wat een partus! En wat een familie. Die vrouw is blij , maar die man zit ernaast alsof hij door tien paarden hier naartoe is gesleept. Maar ja, nummer zeven hè.” “Is dat die mult van tweeënveertig?” vraagt Sofi e. “Exactly. En allebei verbaasd dat ze wéér zwanger was hè. Nog nooit van voorbe- hoedsmiddelen gehoord.” Ze buigt zich naar de leerling: “Zal ik deze partus voor je aftekenen?” Sofi e loopt naar het kantoortje, pakt de telefoon en draait haar thuisnum- mer. “Ik ga nog even wat drinken met Nicolien”, zegt ze in de hoorn. Even later zitten beiden in een kroeg aan de Steenstraat met een glas wij n voor zich. “Jij komt uit een echte gezondheidszorg- familie, toch?” vraagt Nicolien. Sofi e knikt. “Mij n opa was huisarts, mij n vader dierenarts, mij n moeder verpleeg- kundige, mij n broer is cardioloog en mij n zus logopediste. Nou jij weer.” Nicolien lacht hardop. “Opa was kunstverzamelaar”, gaat Sofi e verder. “Hij woonde in een villa in Oud-Zuid in Amsterdam. Daar kwam de Amsterdamse sjiek in zij n praktij k. Nu woont mij n vader er met zij n vriendin. Maar goed, die villa hangt voor een vermogen vol met schilderij en.”
“Erf jij die?” “Geen idee. Zal wel. Het doet me niet zo veel. M’n vader al helemaal niet. Die noemt zichzelf een cultuurbarbaar. Het leidt allemaal nergens toe, zegt hij . Hij heeft de oorlog meegemaakt.” “Mij n vader ook”, zegt Nicolien. “Hij praat er nooit over.” “Die van mij was verloofd met een joods meisje. Is met haar hele familie gedepor- teerd naar Auschwitz. M’n vader was er kapot van. Tien jaar na de oorlog hoorde hij dat ze het kamp overleefd had. Ze was in ’45 naar Frankrij k gegaan en een paar jaar later geëmigreerd naar Israël.” “Goh, en dat wist je vader niet?” “Nee, maar hij heeft wel contact met haar gezocht. Het was een hele zoek- tocht om haar te traceren. Mij n moeder moedigde het niet aan, maar hield het ook niet tegen. In 1963 had hij haar eindelij k opgespoord. Ze bleek al in 1947 te zij n getrouwd met ene Abra- ham Faktorowicz, een achterneef van Maksymilian Faktorowicz, die Poolse cosmeticaman die zich later Max Factor noemde. Anyway, hij heeft haar pas later ontmoet, tij dens een congres in Haifa, dat hij voor de Koninklij ke Neder- landse Maatschappij voor Diergenees- kunde bezocht. Ik meen ergens rond 1970. Ze woonde in een Joodse nederzet- ting. Ze zouden elkaar ontmoeten aan de rand van de woestij n. Hij huurde een auto en reed ernaartoe. Nadat hij was uitgestapt, klonk er opeens een schot. Mij n vader voelde een scheurende pij n in zij n onderbeen. Hij strompelde nog wat en viel toen neer.”
Villa Koningslaan is ook online te volgen:
artsenauto.nl/feuilleton
Volgende maand: Wie heeft op Noël geschoten? Was het een misverstand?
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84