search.noResults

search.searching

dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
Van traumatiserende nazorg naar traumazorg


Het begint die avond in een ver verleden met een sto- ringsmelding van de openbare verlichting. Het is aar- dedonker op de weg. Als eerste hulpverlener stuit ik op een eenzijdig incident, een vrachtwagen die van de weg is geraakt. Achteraf blijkt dit ook de oorzaak van de stroomstoring, want voordat hij in de sloot eindigt, rijdt de vrachtwagen eerst nog over een kast van de openbare verlichting.


Ik plaats mijn bus zo, dat ik met groot licht de vrachtwagencabine beschijn. Ik rijd die avond in de bus van een collega, dus als ik spullen wil pakken, ligt er niets op de plaats waar ik verwacht dat het zal liggen. In de duisternis ga ik op zoek naar een life hammer. Daarmee ga ik op weg naar de cabine.


Het is winter en er ligt ijs op de sloot, maar dat zijn nu schotsen gewor- den. Ik spring in de sloot en waad naar de overkant. De chauffeur ligt in de cabine, maar ik kan hem niet bereiken, want de deur aan de bijrijders- kant ligt tegen het talud en de deur aan de chauffeurskant ligt te hoog, vier meter boven de sloot.


Ik sla en trap tegen de voorruit, terwijl de drie ruitenwissers er nog pie- pend overheen schrapen. Eén ervan breek ik af omdat ik er last van heb. Ik sla mijn hand kapot, maar het lukt me niet de ruit te breken. Uiteindelijk trek ik een paal uit het weiland en gebruik deze als wig om het raam open te breken. Ondanks het risico dat de cabine in het water belandt, kruip ik erin. De bestuurder ligt aan de bijrijderskant, in foetushouding.


Dan hoor ik iemand roepen: “Is het een oudere man?”. Als ik ‘ja’ roep, hoor ik gevloek. “t Is mijn vader”, zegt de man, en hij komt door de sloot wadend naar mij toe. Ik weet de oudere man ondertussen zodanig te manoeuvreren dat ik kan gaan reanimeren, want hij geeft geen teken van leven meer.


Zijn gezicht is zwaar gehavend. Ondanks de twijfel of het nog wel zin heeft, werk je vanuit je trainingen op de automatische piloot. Het lichaam voelt heel anders aan dan trainingspop Annie. Ik scheur – hoe weet ik niet – zijn trui en shirt open. Er blijkt een leren buidel met shag onder te zitten. Dat was het dus.


Maar nu zie ik dat hij helemaal opengemaakt is geweest en ik krijg onbe- wust al een vermoeden... De zoon weet langs mij heen te kruipen en tikt zijn vader aan en zegt: “Papa, papa, laat me niet zo achter.” En dan die woorden die ik nooit meer zal vergeten: “Ik had je nog zoveel willen ver- tellen.”


Dan vraagt iemand of ik de cabine wil verlaten. De ambulancebroeder. De zoon wordt in zeer emotionele toestand meegenomen door de ambu- lance en ik sta buiten te trillen. Niet van de kou, maar van de adrenaline. Ik moet over een plank van 10 cm breed weer terug de sloot over. Er staan nu schijnwerpers op mij gericht: de media zijn gearriveerd. Met de angst in mijn benen dat ik voor het oog van de camera in de sloot zal val- len, bereik ik de overkant.


Henry Spriel


Ik vraag of er iemand naar mijn kapotte hand kan kijken, maar de ambu- lance is al weg. Dus ik moet het maar even gaan afspoelen bij het kraan- tje dat ergens achterop de brandweerwagen moet zitten. Niemand helpt me.


Dan arriveren een collega en mijn leidinggevende. Zij ‘vangen mij op’ met kreten als “Poeh, dat was niet verkeerd hè” en “Dat is nog een heel inci- dent zeg”. De adrenaline in mijn lichaam neemt af; ik heb het helemaal gehad.


Maar er is iets nieuws, een soort nazorg: de brandweer houdt een de- briefing in de kazerne. Ik mag ook mee. Ik kan niet autorijden en vraag of iemand in mijn auto kan rijden. “Ja, dat regelen we we!” Maar uiteindelijk moet ik wel zelf rijden, want ze sturen iemand die geen rijbewijs heeft.


De de-briefing is een drama. De brandweermannen vertellen één voor één emotionele verhalen en ik, als eerste hulpverlener ter plaatse, mag achteraan aansluiten. Maar ik zeg alleen maar: “Ik heb er niets meer aan toe te voegen.”


Ik vraag verband voor mijn hand, die intussen behoorlijk pijn doet. Dat moet ik zelf maar gaan halen, verderop in de kazerne, drie keer links en twee keer rechts. Niemand loopt mee. Dát was het dus, de nazorg. Twee dagen later haal ik zelf met een pincet nog een stuk glas uit mijn hand.


Deze gebeurtenissen zijn medebepalend geweest voor mijn besluit OVD te worden, want ik wilde mijn collega’s nu en in de toekomst behoeden voor deze traumatiserende nazorg. Daarom ben ik mij vanaf dat moment zo’n beetje overal mee gaan bemoeien, van traumazorg tot standaardin- richting van onze voertuigen.


Inmiddels is er gelukkig veel verbeterd op dit gebied. Er zijn veel stappen gezet naar een goede nazorg. Maar je moet er wel altijd voor blijven waken dat er niemand ‘tussen de wal en het schip’ valt.


Nr.3 - 2018 OTAR OTAR Nr.3 - 2018 39


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48