016 Interview
Wilde je dan ook al jong schrijver worden? “Nee hoor, dat kwam niet in me op. Ik droomde van een baan als slager. Maar nadat ik als tiener 2 jaar lang op zaterdag in een slagerij had gewerkt, zag ik mezelf dat toch niet de rest van mijn leven doen. Ik besloot het over een andere boeg te gooien en geneeskunde te gaan studeren, als eerste in mijn familie. Voorafgaand aan mijn coschappen kon ik een wetenschappelijke stage lopen. Een studiegenoot vroeg of ik die samen met hem in Kenia wilde doen. In het gebied van de Masai-stam deden we 6 maanden onderzoek naar malaria. Daar heb ik mijn hart aan Afrika verloren. De natuur, de mensen, de geuren – het is een magisch continent. Ik voelde me er direct thuis en wist dat ik terug wilde komen. Dus besloot ik tropenarts te worden.”
Na zijn afstuderen belandt hij als anios op de af- deling interne geneeskunde van het ziekenhuis in Alkmaar, waar de gemiddelde leeftijd van de patiënten voor zijn gevoel 83 is. Na een jaar weet hij het zeker: hier zit hij niet op z’n plek. “Internisten zijn heel serieus en beleefd. Terwijl ik ervan hou om grapjes te maken en te dollen. In de kindergeneeskunde kan dat.” De overstap naar de kinderafdeling is gauw
gemaakt. Intussen weet Boele van Hensbroek ook dat hij meer onderzoek naar tropische ziekten wil doen. “Op dat moment waren er nog nauwelijks tropische kinderartsen in Nederland, dus ik kreeg alle ruimte om een eigen specialis- me te ontwikkelen. Uiteindelijk heb ik bijna 20 jaar als arts, onderzoeker en opleider in het Emma Kinderziekenhuis gewerkt. Daar heb ik, samen met een paar collega’s die uit het VUmc waren overgekomen, het ‘Amsterdam Centre for Global Child Health’ opgericht, dat als doel heeft met onderzoek, trainingen en lokale ondersteuning de gezondheid van kinderen wereldwijd te verbeteren. Inmiddels zijn hier twaalf kinderartsen aan verbonden, die inter- nationaal baanbrekend werk doen. Daar ben ik best trots op.”
Ben je daadwerkelijk teruggegaan naar Afrika? “Jazeker, twee keer voor een langere periode. Samen met mijn vrouw Anneleen heb ik van 1991 tot 1995 in Gambia gewoond. In 2002 vertrokken we opnieuw, weer voor 4 jaar, maar toen naar Malawi, een van de mooiste landen ter wereld. Daar heb ik onderzoek gedaan naar ernstige bloedarmoede bij kinderen. Intussen hadden we zelf een zoon en twee dochters gekregen. Die zijn dus deels daar opgegroeid. In beide landen heb ik de mogelijkheid gehad lokale artsen op te leiden. Later trouwens ook: van de 23 promovendi die ik heb afgeleverd, kwam driekwart uit tropische regio’s. Het geeft me veel voldoening dat zij het onderzoek lokaal
voortzetten en de kennis over Global Child Health zo steeds verder verspreiden.”
CURRICULUM VITAE
Michaël Boele van Hensbroek (1961)
Geboren in Rotterdam 1981-1989
geneeskunde, Universiteit van Amsterdam 1991-1996
promotieonderzoeker
Medical Research Council Unit, Gambia 1995-2000
aios kindergeneeskunde Emma kinderziekenhuis 2002-2006
kinderarts en onderzoeker Wellcome Trust Reseach Centre, Blantyre, Malawi 2006-2025
kinderarts, infectioloog
Emma Kinderziekenhuis 2009-2025
leidinggevende Amsterdam Centre for Global Child Health
2013-heden
hoogleraar Global Child Health
2017-2025 commissielid/vice-voor-
zitter Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)
2025-heden voorzitter CCMO
Hoe heeft de tijd in Afrika je als arts veranderd? “Ik heb daar zoveel kinderen zien sterven – één op de drie deelnemers aan mijn hersenmalaria- studie in Gambia overleed. Het klinkt mis- schien vreemd, maar op een bepaalde manier heeft me dat als dokter relaxter gemaakt. Als je zoveel ellende ervaart, schiet je niet snel in de stress als er een ernstig ziek patiëntje op de SEH binnenkomt. Verder heb ik in Afrika heel goed leren luisteren. En dan niet alleen naar woorden. Ik had vaak te maken met een taalbarrière, waardoor ik extra alert werd op non-verbale signalen. Terug in Nederland heb ik daar veel baat bij gehad. Het heeft me geholpen de juiste vragen te stellen, en door te vragen. Overigens heeft het me best wat tijd gekost om hier weer te wennen. Waar maak je je zo druk om, dacht ik in het begin weleens als er een paniekerige ouder van een kind met hoofdpijn in mijn spreekkamer zat. Ik maakte de fout het leed van daar en hier te vergelijken. Maar waar ook ter wereld, alle ouders zijn even bezorgd over hun zieke kinderen.”
In Afrika ontstaat ook het idee voor zijn eerste kinderboek, De witte ruimte, dat hij in 2015 bij uitgeverij Schrijverspunt publiceert. Tijdens lange reizen in de auto met zijn dan nog jonge kinderen, verzinnen ze samen verhalen. “Zij bedachten wie er in voor moest komen en dan ging mijn fantasie al snel met me op de loop. Ik heb altijd ideeën genoeg. Als die eenmaal gaan stromen, voel ik me een soort doorgeefluik van wat de personages in mijn verhaal willen vertellen.” Een van die verhalen, over een meisje dat na
haar dood kan kiezen tussen reïncarnatie, de hel, de hemel of een andere bestemming, blijft in zijn hoofd hangen. “Jaren later suggereerde mijn vrouw om het op papier te zetten. Zo ben ik van verteller schrijver geworden. Overigens viel het schrijven zelf me in eerste instantie knap tegen. Het is echt een vak apart. Misschien dat ik daarom zo lang heb gewacht met mijn tweede boek.” Tien jaar na zijn debuut ligt dat er nu dan
toch. Noanouk verscheen in juni van dit jaar. Mede dankzij een ervaren schrijfcoach én, wederom, zijn vrouw. “Zij hielp de broodnodige emotie aan het verhaal toe te voegen.” Uitgeverij Lemniscaat publiceerde het, waarmee de cirkel naar zijn jeugd rond is. Avonturenroman Noanouk gaat over het 15-
jarige meisje Manouk, dat opgroeit in het laboratorium van haar moeder, hoogleraar biotechnologie. Als haar beste vriendin een hersentumor krijgt, probeert ze haar met
<
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92 |
Page 93 |
Page 94 |
Page 95 |
Page 96 |
Page 97 |
Page 98 |
Page 99 |
Page 100 |
Page 101 |
Page 102 |
Page 103 |
Page 104 |
Page 105 |
Page 106 |
Page 107 |
Page 108