060 Kunst
Natuur in de hoofdrol in Singer Laren en
Rijksmuseum Twenthe
De paden op, de lanen in
Ongerepte natuur bestaat al heel lang niet meer in Nederland. Singer Laren toont hoe schilders rond 1900 toch dit ideaalbeeld nastreefden. Rijksmuseum Twenthe geeft weerwoord met een retrospectief van herman de vries, die de mens naast de natuur stelt in plaats van erboven.
Z
o moet de hel eruitzien. In de zwartgeblakerde fabriekshallen van Herman Heijenbrock is geen straaltje zonlicht te bekennen. De arbeiders op de pasteltekeningen
beulen zich af in de oranje gloed van enorme verbrandingsovens. Je kunt de giftige dampen bijna ruiken, het roet proeven. En het kabaal horen dat Charles Dickens in zijn roman Hard Times zo treffend beschreef als ‘het gestamp van gek geworden olifanten’. Het lijkt misschien een vreemde
keuze om een tentoonstelling met de titel Lokroep van de natuur te openen met deze gitzwarte verbeeldingen van rauw machinegeweld. Maar dat is het toch niet. Het was de industriële revolutie die de kunstenaars uit deze tentoonstelling rond 1900 de stad uitdreef. Ironisch genoeg produceerden fabrieken ook de
verftubes die het mogelijk maakten in de frisse buitenlucht van het platteland te werken. William Singer, naamgever en
oprichter van het exposerende museum, was een van de artistieke vervuilings- vluchtelingen. Zijn vader had een fortuin verdiend met de staalindustrie in Pittsburgh, maar hij haastte zich om weg te komen uit die stinkstad. Na allerlei omzwervingen kwam hij terecht in Laren, waar een kunstenaarskolonie ontstond vergelijkbaar met Barbizon of het Noord-Hollandse Bergen. Het heide- landschap met schapen dat hij hier in 1902 schilderde, is nog redelijk donker van kleur maar neergezet met lekker stevige toetsen. Een paar jaar later vond Singer tussen de Noorse forden het lichtere palet waarmee hij de natuur in al z’n pracht kon neerzetten. Wat de kunstenaars uit de tijd van Singer en Heijenbrock voor ongerepte
William Henry Singer Jr. (1868-1943), Rising Mist, 1929, olieverf op doek, 100 x 105 cm, Singer Laren, beloofd legaat Joseph Szymanski.
natuur hielden, was vaak allesbehalve dat. Het Heuvellandschap met bloeiende hei van Lou Loeber is bijvoorbeeld ontstaan door eeuwenlange bomenkap. Eind 19e eeuw was het Nederlandse bosoppervlak geslonken tot een paar snippers – veel minder dan nu – en het is te danken aan het toen opgerichte Staatsbosbeheer dat er nieuwe bomen werden aangeplant. Maar de natuurbeschermers bekommer- den zich ook om de kunstmatig ontstane woeste gronden. Zo werd De Veluwe- zoom die Loeber heeft vastgelegd, in 1930 uitgeroepen tot eerste nationaal park. Behalve in de zogenaamd onbedorven
landschappen, vonden de kunstenaars ook een dankbaar onderwerp in de bewoners ervan. “De mensch is van het liefste soort dat te bedenken is”, schreef Anton Mauve in 1882 over de dorpelingen uit Laren. Die woordkeuze zegt iets over de kloof tussen de stadse schilder en
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92