027
hulp ter plekke is of een protest elders in de wereld – maakt voor de Gazanen een verschil. Mobiele telefoons zijn hun lifelines. Ze volgen alles wat er ‘buiten’ gebeurt. Het feit dat mensen elders mee- leven, betrokken zijn; dat geeft ze hoop en kracht.”
Eenmaal terug in Namibië, waar Meguid woont en werkt, dringt pas echt tot hem door wat hij in Gaza heeft meegemaakt. “Al die doden, elke dag weer, gewikkeld in witte doeken, soms met de gelaats- trekken nog zichtbaar; dat doet wel iets met je. Zo veel vrouwen en kinderen ook. Je loopt erlangs en gaat dan aan het werk, om een bevalling te begeleiden of een operatie te doen. Leven en dood op een paar meter afstand.” Achteraf kwam ook het besef hoe
gevaarlijk het was, hoe makkelijk de gynaecoloog, die op latere leeftijd rechten studeerde en een master heeft in International Human Rights Law, zelf slachtoffer had kunnen worden. “Ik heb op veel plekken in de wereld gewerkt, maar geen één heeft me zo bewust ge- maakt van mijn kwetsbaarheid als Gaza. In de schaduw van de dood wil je nog meer leven. Ik voel sterker dan ooit dat alles draait om menselijke relaties en medemenselijkheid. Tegen mijn studen- ten zeg ik: zolang een patiënt tegenover je zit, moet die — en niemand anders — voor jou de belangrijkste persoon ter wereld zijn.”
Medemenselijkheid. Het is een woord dat in het gesprek met de bevlogen arts vaak terugkomt. Daarmee bedoelt hij: jezelf in de ander kunnen zien. En elkaar en het leven respecteren. “In de oorlog in Gaza is alle medemenselijk- heid verdwenen. Steeds meer gerenom- meerde organisaties en politici stellen dat Israël genocide pleegt. De mensen daar worden collectief in de steek gelaten. ‘Vertel de waarheid’, drukten collega’s me op het hart toen ik Gaza verliet. Voor hen voel ik een morele en ethische plicht om me uit te spreken. Het gaat mij erom dat we gezamenlijk opstaan tegen het onrecht en als mede- mensen voor elkaar opkomen. Dat heeft niets te maken met partij kiezen. Ook de Israëlische Holocaust-historicus Omer
Bartov spreekt inmiddels van genocide. Eerder al ondertekenden vijftig Israë- lische onderzoekers een brief waarin ze de voorzitter van Yad Vashem – het herdenkingscentrum van Israël voor de slachtoffers van de Holocaust – oproepen om zich uit te spreken tegen politici die ‘aanzetten tot uitroeien’.”
Welke rol spelen zorgprofessionals hier volgens u in? “Een enorm belangrijke. Als artsen en wetenschappers hebben we mijns in- ziens de morele en professionele verant- woordelijkheid om niet weg te kijken. Laten we, juist in een gepolariseerd debat, onze stem laten horen en pleiten voor menswaardigheid. Dat betekent dus ook: je uitspreken over de toestand in Gaza.”
Is het niet cruciaal dat hulpverleners neutraal blijven? “Als medici zijn we onafhankelijk — we behandelen iedere patiënt zonder aanziens des persoon. Maar dat is iets anders dan wegkijken als mensenrech- ten worden geschonden. Als kinderen worden gedood. Als een volk wordt ver- nietigd. Zulke misdadige wreedheden mogen nooit genormaliseerd worden.
Hierover moeten we ons juist laten horen en helemaal niet neutraal zijn. Zorgprofessionals zijn de spreekwoor- delijke kanaries in de kolenmijn van de maatschappij. Wij merken ongelijk- heid in zorg en sociale omstandigheden — het gevolg van politieke keuzes — vaak als eerste op en hebben de verant- woordelijkheid daarop te acteren.”
Voor veel zorgprofessionals voelt het mogelijk onveilig om zich uit te spreken over Gaza. “Dat snap ik heel goed. Niet iedereen hoeft dat publiekelijk te doen. Je kunt bijvoorbeeld ook je beroepsorganisatie aanspreken op het feit dat ze duidelijker stelling moeten nemen.”
Ondertussen lijkt het einde van het conflict tussen Israël en Palestina nog lang niet in zicht. Hoe kijkt u naar de toekomst? “Na de oorlog in 2009 dacht ik dat het nooit meer goed zou komen. Maar nu voelt het toch alsof er iets kantelt. De situatie is zo dramatisch, het onrecht zo overduidelijk, dat niemand meer om de feiten heen kan. Ik hou me eraan vast dat dit tot blijvende verandering gaat leiden. Laten we daar allemaal ons steentje aan bijdragen.”
<
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92