search.noResults

search.searching

saml.title
dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
Tekst: Jolanda Clément Beeld: Ruud Pos


Spiegel 037


Op deze plek verhalen schrijvers, journalisten en publicisten over een persoonlijke ervaring met de gezondheidszorg en houden ze (para)medici een spiegel voor.


Gipshart


‘Iedereen kent dat telefoontje’


Begin jaren ’90 las ik in een interview met Léoni Sazias dat het hebben van een kind voelt alsof ‘je hart zich buiten je lichaam bevindt’. Wat een mooie, maar overtrokken metafoor, dacht ik. Zo mooi en overtrokken dat ik hem nooit ben vergeten. Nadat ik jaren later – na 48 uur worstelen met mijn eigen lijf – een klein roze ventje op mijn borst gelegd kreeg, schoot het even door mijn hoofd: wat heb ik met zoveel oergeweld op de wereld gezet? Een zoon, of toch mijn eigen hart? Ik vergat het snel, zulke vragen zijn slecht te beantwoorden. En daarbuiten, mijn ventje had nooit veel zin om de wereld te verkennen. Hij bleef graag dicht in de buurt en wegrennen deed hij alleen als hij wist dat ik hem ach- terna kwam. Ook toen we elke dag afspraken maakten als: ‘Na school direct naar huis, hè’, had ik geen reden om te denken dat mijn hart zich ergens anders dan in mijn borstkast bevond. Hij belde altijd als hij bij vriendjes ging spelen, en als ik tegen half vijf een telefoontje kreeg, wist ik al dat hij voor frietjes of spaghetti mocht blijven. Ergens tijdens zijn dertiende jaar kreeg hij van mij een mooi horloge, omdat hij mijn 1 meter 74 voorbij was gegroeid. Van opa en oma kreeg hij een fiets met veel versnellingen, daarna was hij niet meer te houden. Iedereen kent dat telefoontje waarvan je vreest dat er iets mis is. Als je broer tegen middennacht belt, of je kind, op een ongebruikelijk uur. ‘Hey?’, zei ik met lichte angst dat een ambulancebroeder zou ant- woorden. ‘Hey’, zei hij terug. Stilte. ‘Ben je nog bij Hugo? Hebben jullie ruzie gehad?’ ‘Ja en nee.’


Jolanda Clément studeerde marketing, communicatie en (bedrijfs)journalistiek. Ze schreef voor medische vakbladen en publiceerde in het FD, HP/De Tijd en literair tijdschrift ExtaZe. In 2021 verscheen haar debuutroman Oostwaarts bij Ambo|Anthos.


Weer stil. Iets begon spastisch aan mijn maagdraden te trekken. ‘Wat is er gebeurd, lieverd?’ ‘Ik ben gevallen onderweg, met de fiets. Ik reed zonder handen…’ ‘O, getver… en nu?’ ‘Met mijn gezicht op de stoeprand geknald. Ik kan mijn hand niet meer bewegen. Horloge is stuk.’ ‘Heb je gespuugd?’ ‘Nee, maar ik hoefde geen pannenkoeken. Dat vond Hugo’s moeder niet leuk.’ Kort erna zaten we op de SEH. Er was een doodse stilte in mijn zoon gevaren. Dat doodse leek erger dan de wond op zijn jukbeen, of die arm die hij voorzichtig op de stoelleuning balanceerde. Hij was langer dan ik, maar zijn wereld nog zo klein. Dat de aardkloot hem ongenadig de optelsom van snelheid en zwaartekracht had laten voelen was ronduit wreed. We kropen steeds dichter naar elkaar, ik toch steeds denkend aan die eerste keer dat ik hem in mijn armen hield, ook in het ziekenhuis. In die staat van geest liepen we naar de onderzoekskamer. We hielden elkaar vast. De dienstdoende arts scheidde ons bij binnenkomst direct. ‘Ik wil niet met u praten’, zei hij tegen mij. ‘Gaat u achter het gordijn zitten.’ Hij moest uitsluiten of ik mijn kind tegen de grond had geramd. Ik snapte dat nog. Mijn jongen begreep het niet: hij deinsde terug en keek mij angstig aan. Maar ik mocht niets doen. Die arts had ons net zo goed zelf een beuk kunnen geven. Drie uur later liepen mijn hart en ik met twee botbreuken, een gipsgroene arm én een diep ellendig gevoel het ziekenhuis uit.


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72  |  Page 73  |  Page 74  |  Page 75  |  Page 76  |  Page 77  |  Page 78  |  Page 79  |  Page 80  |  Page 81  |  Page 82  |  Page 83  |  Page 84  |  Page 85  |  Page 86  |  Page 87  |  Page 88  |  Page 89  |  Page 90  |  Page 91  |  Page 92