025
Deeltijdcijfers
De gemiddelde deeltijdfactor in de zorgsector ligt al jarenlang rond de 0,67 fte. Dit betekent dat een werknemer gemiddeld 67 procent van een voltijdbaan van 36 uur per week werkt, dus ongeveer 24 uur. Wel zijn er aanzien- lijke verschillen tussen de diverse subsectoren. De academische ziekenhuizen hebben bijvoorbeeld een relatief hoge deeltijdfactor van 0,81 fte; de thuiszorg een van de laagste: 0,54 fte (CBS, 2010-2019). De huisartsenzorg kent een gemid- delde deeltijdfactor van 0,74 fte (mannelijke huisartsen 0,79, vrouwelijke 0,71 fte). Daarbij is er wel een behoorlijk verschil tussen praktijkhouders (0,80 fte), hidha’s/ vaste waarnemers (0,64 fte) en wisselende waarnemers (0,57 fte) (Nivel, 2018).
‘Rond de vijftien procent zegt:
bring it on, ik doe het morgen’
Graven: “Ik denk dat artsen zelf meer zeggenschap hebben over hoeveel uren ze willen werken en daarbij bewuste keuzes maken. Dat zij het oldskool ‘80-uur-per-weekmodel’ niet ambiëren, kan ik me trouwens goed voorstellen.” Toch pleit Tweede Kamerlid Tielen – die zelf geneeskunde heeft gestudeerd – wél voor het verhogen van de deeltij dfactor onder artsen. “Als we met een paar uur per week meer werken tekorten kunnen oplossen, bij voorbeeld in de huisartsen- zorg, waarom zouden we dan andere aanpakken verzinnen? Helemaal als je in ogenschouw neemt wat het opleiden van een arts kost. Een student geneeskunde kost de overheid twee tot drie keer zo- veel als elke andere student. Medische vervolgopleidingen zij n enorm kostbaar. Ik vind dat we best de discussie mogen aangaan over hoeveel een student mag kosten en wat we daarvan als samen- leving mogen terugverwachten.” Nu is het natuurlij k zo dat een deeltij d-
baan voor artsen vaak vergelij kbaar is met een fulltimebaan in andere sectoren. In de huisartsenzorg is de deeltij dfactor gemiddeld 0,74 fte, maar in die driekwart- werkweek werken huisartsen gemiddeld 44 uur. Daarbij combineren sommigen hun deeltij dbaan met onderzoek of onderwij s. “Gezien dat hoge aantal werkuren is het verhogen van de deel- tij dfactor niet iets wat wij nastreven”, laat de LHV weten. “Bovendien staat de werk-privébalans al onder de druk in de huisartsenzorg. Er zij n andere oplossin- gen nodig om de tekorten aan te pakken.
Ervoor zorgen dat huisartsen meer van hun werkzame uren aan patiëntenzorg kunnen besteden bij voorbeeld, door de administratieve lasten te verlichten en te zorgen dat er meer mogelij kheden komen voor ondersteuning in de prak- tij kvoering. Daarnaast moeten er meer huisartsen worden opgeleid, zo heeft het Capaciteitsorgaan ook geadviseerd, met name in die regio’s waar de tekorten het grootst zij n.” Tielen wij st erop dat mede door het
deeltij dwerken meer (huis)artsen nodig zij n. Dat is inderdaad een van de verkla- ringen die het Capaciteitsorgaan geeft voor het fors hogere instroomadvies ten opzichte van het vorige advies. Uit het Capaciteitsplan 2021-2024 voor huisartsen: ‘Mannen werken gemiddeld vij f uur meer dan vrouwen. Door de uitstroom van meer mannelij ke dan vrouwelij ke huisartsen en de toestroom van overwe- gend vrouwen uit de opleiding zal het totale aanbod fte – bij gelij kblij vende instroom – de komende jaren dalen. Bovendien komt het steeds vaker voor dat ook beginnende huisartsen minder willen werken. Het aanbod aan huisart- sen zal daarom gecompenseerd moeten worden door verhoudingsgewij s meer (basis)artsen op te leiden tot huisarts.’ Ook in het Capaciteitsplan 2020-2023 voor medisch specialisten houdt het Capaci- teitsorgaan voor het eerst rekening met het feit dat jonge dokters niet fulltime willen werken. “Natuurlij k zij n dit ook in deeltij d geen kleine baantjes”, erkent Tielen, “maar gezien de investering
zou parttime werken, of in elk geval een contract van minder dan 32 uur, in bepaalde beroepen eigenlij k not done moeten zij n.”
Stok of wortel Hoe het Tweede Kamerlid denkt artsen over te halen tot minimaal ‘32 uur op papier’? Politiek redacteur Aukje van Roessel schreef eerder in De Groene Amsterdammer dat bij artsen ‘een stok mogelij k beter werkt dan een wortel’ om ze te bewegen tot meer werken. Haar suggesties: ‘Het terugbetalen van de studiefi nanciering aanpassen aan het aantal gewerkte uren, bij voorbeeld? Minder terugbetalen of over een langere periode, bij een voltij dsbaan? Of anders- om: zelfs meer terugbetalen dan alleen de lening bij parttime werken, dus ook een deel van de werkelij k kosten van de studie?’ Tielen vindt dat geen goed plan.
“Alleen al vanwege de bureaucratische last die dit met zich meebrengt. Nee, ik geloof meer in de wortel. Ik denk dat het belangrij kste is dat mensen baas zij n over hun eigen werktij den. Dat vraagt fl exibiliteit, creativiteit. Een avond- spreekuur bij voorbeeld, zodat iemand op vrij dagmiddag de gelegenheid heeft om te helpen op school. Daarbij hoort wel, vind ik, een soort normbesef. We kun- nen niemand dwingen, dat hoeft ook niet, maar wel mensen bewust maken van de verantwoordelij kheid die past bij het gebruikmaken van een bepaald opleidingstraject.”
<
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84 |
Page 85 |
Page 86 |
Page 87 |
Page 88 |
Page 89 |
Page 90 |
Page 91 |
Page 92