FOTO: ANP
ONDERNEMEN
‘overzichtsuitspraken’ geeft zoals de Raad van State dat doet. Dat maakt het duidelijk of het instellen van beroep wel of niet zinvol is.”
Nadruk op voorzienbaarheid
Het hoge percentage afgewezen zaken verbaast de advocaten eigenlijk niet. Peter Goumans constateert dat de uitleg van het begrip ‘voorzienbaarheid’ doorslagge- vend is in de CBb-uitspraken. Volgens de uitspraken van CBb hadden veehouders kunnen verwachten dat er voor het verdwenen melkquotum een andersoortige rege- ling in de plaats zou komen. “Het CBb is streng in de leer”, oordeelt Goumans. Zo’n harde aanpak is volgens Goumans niet nodig: “Ook een aanpak met meer oog voor de situatie van de melkveehouders is juridisch goed verdedigbaar.” Volgens Ruud Verkoijen is de uitleg van het begrip ‘voorzienbaarheid’ door het CBb veel te rigide. “Ik vind het zonder pardon tegenwerpen van voorzienbaarheid veel te ver gaan. Er wordt daarbij totaal geen onder- scheid gemaakt tussen de verschillende zaken. Iemand die al in 2011 een stal heeft gebouwd wordt net zo goed voorzienbaarheid verweten dan iemand die in 2014 een stal heeft gebouwd. Hetzelfde geldt voor het niet meene- men van de niet gerealiseerde groei. Veel ondernemers hebben te maken met een bijzondere omstandigheid, al dan niet vallende onder de knelgevallenregeling, en hebben daarom de stal niet vol kunnen zetten.” Ook advocaat Esther Wijnne hikt aan tegen de manier waarop het CBb van oordeel is dat boeren konden weten dat er regelgeving aan zat te komen. “Het CBb is van oor- deel dat productiebeperkende maatregelen al lange tijd voorzienbaar waren en dat deze voorzienbaarheid melk- veehouders alleen niet kan worden tegengeworpen als hun uitbreiding noodzakelijk was. Er zijn maar weinig melkveehouders die aan een dergelijk criterium kunnen
voldoen. Ik vind het oordeel van het CBb voor wat betreft de voorzienbaarheid wel ver gaan.” Marieke Toonders is eveneens van mening dat het CBb de lat wel heel erg hoog legt. “Er is eigenlijk geen redelijke kans op succes met artikel 1 EP (recht op onge- stoord genot van eigendom) om meer fos faatrechten te krijgen. Ook de knelgevallenregeling wordt wel heel be- perkt uitgelegd. Zeer teleurstellend. Een boer moet be- wijzen dat de continuïteit van het bedrijf daadwerkelijk
De zes door veehouders bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven tot
Omschakelen van varkens naar melkvee
In deze zaak gaat het om een boer die zijn varkenstak afouwde ten gunste van zijn melkveetak. De reden voor de omschake- ling was het overlijden van de echtgenote van de boer waardoor hij achterbleef met drie jonge kinderen. De melkveehouderij is minder arbeidsintensief en beter te combineren met de zorg voor kinderen. Een begrijpelijke keuze, aldus het CBb. De melkveehouderij is niet of nauwelijks uitgebreid en de varkensrechten kunnen niet worden omgezet in fosfaatrechten. Daarom is dit volgens het CBb geen puur ondernemersrisico, het beroep op artikel 1 EP slaagt.
8
Kans op gedwongen faillissement
De melkveehouder verkocht zijn bedrijf in Duitsland en kocht in 2012 in nieuw bedrijf in Nederland. In eerste instantie kreeg hij 3.891 kilo fosfaatrechten toe- gekend, na bezwaar werd dat verhoogd naar 6.024 kilo. Een jaar later werd dat opnieuw – met terugwerkende kracht – verlaagd tot 3.891 kilo. Dit, in combinatie met gedwongen liquidatie van het bedrijf als er niet meer rechten werden toege- kend, terwijl de voorganger van de onder- nemer wel meer rechten mocht houden, leidde tot gegrond verklaring. Een deel van de schade komt wel voor rekening van het ondernemersrisico.
Eenmalige pacht: niet grondgebonden I
Deze melkveehouder werd gekort op zijn fosfaatrechten omdat zijn bedrijf niet grondgebonden zou zijn. Zijn fosfaat- rechten waren vanwege niet-grond- gebondenheid gekort. De grond was echter eenmalig en tijdelijk verpacht aan een aardappelteler, bovendien had de veehouder de grond in die periode tijdens de verpachting steeds zelf in gebruik voor de mestafzet. Volgens het CBb handelde de veehouder daarmee feitelijk in lijn met grondgebondenheid, en heeft de akkerbouwer geen fosfaatrechten voor die grond gekregen. Korting is in strijd met artikel 1 EP.
BOERDERIJ 105 — no. 8 (19 november 2019)
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68 |
Page 69 |
Page 70 |
Page 71 |
Page 72 |
Page 73 |
Page 74 |
Page 75 |
Page 76 |
Page 77 |
Page 78 |
Page 79 |
Page 80 |
Page 81 |
Page 82 |
Page 83 |
Page 84