ger gelegen delen van het land. Maar de hoger gelegen gebieden in Nederland, zoals de zandgronden in Oost- en Zuid- Nederland, kunnen we hiermee niet be- reiken. We kunnen het water niet een- voudig over grote afstanden omhoog pompen. Hiervoor moeten we andere oplossingen vinden, in de bodem zelf.”
“Samen met het ministerie van Land- bouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de agrarische sector denken we na over programma’s over hoe we water actief in de bodem kunnen opslaan. Daar zijn nu de eerste proeven mee van start ge- gaan. Zo weten we dat de bodem van nature water beter vasthoudt als er veel organisch materiaal (plantenresten) in de bodem zitten. Omdat de bodem op verschillende plekken was is uitgeput zijn er daarom ook weer programma’s om het organische gehalte van de bo- dem te herstellen. Verder is het realise- ren van waterbergingsgebieden, voor zowel wateroverlast als watertekorten
vooral een lokaal en regionaal vraag- stuk dat in handen ligt van gemeenten en waterschappen.”
“Via onder meer de zeegaten komt zout water het land binnen en vermengt zich met zoet water. Ook is er langs de kust sprake van kwel van zout wa- ter via de bodem. Dat gaat al eeuwen zo. Om deze reden spoelen we onze polders in laag Nederland permanent door met zoet water uit de rivieren. Zo wordt er constant tegendruk gegeven, zodat het zoute water wordt verdund. Dit kunnen we doen omdat we de luxe hebben dat de Rijn en Maas veel water aanvoeren vanuit het achterland. Maar bij droge periodes is er weinig aanvoer en veel verdamping van zoet water en blijft er onvoldoende zoetwater over om te spoelen en de zoutgehaltes te ver- lagen. Dat komt dan vervolgens via de polderslootjes bij het gewas terecht, dat daar niet tegen kan. Dit is een serieus
probleem, want naarmate de zeespie- gel stijgt, dringt het zoute water dieper het land in, zowel via de riviermondin- gen als de ondergrond. En hebben we steeds meer zoetwater nodig om door te spoelen. Zo zie je maar dat alles met elkaar is verbonden, het zijn geen los- staande issues.”
“Ik ben zelfs zeer positief gestemd. We zijn immers een welvarend land en heb- ben het vermogen en de kennis om het land veilig te houden. Ik zeg wel eens: elke steen, elke tegel wordt in Neder- land eens in de dertig jaar wel beetge- pakt en bekeken. In 2050 moeten we aan van alles wat doen, zowel op het niveau van klimaatmitigatie – het be- perken van de CO2-uitstoot en de op- warming van de aarde – als klimaat- adaptatie. Dan hebben we nog dertig jaar de tijd. Laten we de tijd goed ge- bruiken. Dat vergt vereende krachten en dat is juist iets waarin we sterk zijn in Nederland.”
Nr.2 - 2019 OTAR O Nr.2 - 2019TAR 9
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48