VEILIGHEID
Eigenschappen van stoffen
in bepaalde situaties zuurstof vervangen kunnen worden door een inert gas. Stof en een ontstekingsbron kunnen dan wel aanwezig zijn maar zullen nooit tot een reactie komen.
Bij alles wat in dit deel en de komende delen behandelend gaat worden omrent stofexplosies nemen we heersende atmos- ferische condities als uitgangspunt. Deze condities zijn de luchtdruk die ligt tussen 80 kPa (0,8 bar) en 110 kPa (1,1 bar). De omgevingstemperatuur ligt tussen -20O
C en +40 O
de lucht niet voor 100 procent uit zuurstof bestaat maar slechts een zuurstofgehalte heeft van circa 21 procent (plus of min een procent) wordt dit criterium aangenomen. De proeven voor het bepalen van de karakteristieke eigenschappen van stof zijn ook onder deze condities uitgevoerd.
Atex-richtlijnen
Nog even kort een uitleg. Atex is het acro- niem van twee Franse woorden ATmos- phères EXplosible. Er zijn twee richtlijnen namelijk de Atex 95 en de Atex 137. Het begrip Atex 95 is een benaming waar- mee de officiële richtlijn 94/9/EC wordt bedoeld. Deze economische paragraaf die ook wel de ‘Fabrikanten richtlijn’ wordt genoemd, wil fabrikanten verplichten om te voldoen aan de gestelde eisen voor ma- teriaal dat toegepast kan worden in een explosiegevaarlijke omgeving. Daarnaast moet hij de eisen voor alle EU-landen gelijk maken. Het beoogde doel is het weg- nemen van handelsbelemmeringen tussen de lidstaten. Hij vereist dat al het materieel is voorzien van een markering waaruit blijkt dat het geschikt is om te worden toegepast in een explosiegevaarlijk gebied. Deze aanduiding dient vast op het apparaat te worden aangebracht. De Atex-Richtlijn werd van kracht op 1 maart 1996 en is verplicht per 1 juli 2003. Producten die voldoen aan de Atex- richtlijnen zijn te herkennen aan het com- munautaire merkteken. Voor de fabrikant betekent dit: bepalen van het toepas- singsgebied, opstellen van een gebruikers- handleiding, samenstellen van een tech- nisch dossier, een verklaring van overeen- stemming uitgeven, het aanbrengen van de verplichte Ex- en CE-markering met de verplichte symbolen en merktekens:
Flowdiagram C. Omdat de ons omringen-
Het begrip Atex 137 is een benaming waarmee de officiële richtlijn 1999/92/EC wordt bedoeld. Deze richtlijn wordt ook wel de ‘sociale of installatierichtlijn’ genoemd. De richtlijn is per 1 juli 2003 in werking getreden en is per 1 juli 2006 verplicht. Hij maakt onderdeel uit van het Arbo-beleid van een onderneming. De gestelde eisen zijn minimum eisen en zijn een verplichting voor de werkgever. Ze verplichten de werkgever om op die plaatsen waar explosiegevaar heerst een risico-inventarisatie en -evaluatie uit te voeren, in het kort aangeduid met RIE. Op basis van de daaruit voortvloeiende bevindingen dienen de nodige maat- regelen te worden getroffen. Het beoogde doel is om de veiligheid en de bescherming van de werknemers te waarborgen. Opleiding vormt een belangrijk onderdeel hiervan. Dit betekent voor de werkgever: risico-
beoordeling uitvoeren, gevarenzone- indeling maken, doelmatig preventieve maatregelen treffen ter voorkoming en of beperking van explosies, geschikte explosieveilige arbeidsmiddelen in zones toepassen, instructies geven aan werk- nemers en het opstellen van een Explosie Veiligheids Document (EVD). Gebieden die als explosiegevaarlijk gebied zijn gekenmerkt zijn te herkennen aan een geel waarschuwingsbord met zwarte tekst EX:
Beide richtlijnen volgen elk hun eigen weg en komen uiteindelijk bij elkaar in de in gebruik zijnde installatie, zie de flowchart Atex 95 versus Atex 137.
Conclusie
In dit deel zijn de kengetallen voor het ontstaan van stof- explosies besproken en de eigenschappen van stof die hierbij een belangrijke rol spelen. Met deze wetenschap als basis kunnen we aan de slag om stofexplosies te voorkomen. Allereerst zullen we in het volgende deel de zone-indeling gaan behandelen. Daarna komen de mogelijke beveiligingsmethoden aan de beurt.n
Arnold de Rouw is, naast sales-engineer bij Pepperl+Fuchs, free- lance trainer, auteur en vertaler op het gebied van explosieveiligheid.
56
Solids Processing Nr. 3 - juni 2011
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48 |
Page 49 |
Page 50 |
Page 51 |
Page 52 |
Page 53 |
Page 54 |
Page 55 |
Page 56 |
Page 57 |
Page 58 |
Page 59 |
Page 60 |
Page 61 |
Page 62 |
Page 63 |
Page 64 |
Page 65 |
Page 66 |
Page 67 |
Page 68