search.noResults

search.searching

dataCollection.invalidEmail
note.createNoteMessage

search.noResults

search.searching

orderForm.title

orderForm.productCode
orderForm.description
orderForm.quantity
orderForm.itemPrice
orderForm.price
orderForm.totalPrice
orderForm.deliveryDetails.billingAddress
orderForm.deliveryDetails.deliveryAddress
orderForm.noItems
RUNDVEEHOUDERIJ ACTUEEL Eerstekeusmiddel effectief bij mastitis


Een eerstekeusmiddel is effectief bij de behandeling van milde mas- titis, stelt Boehringer Ingelheim op basis van een veldstudie in Neder- land.


Uit de veldstudie, waaraan 82 veehouders in Nederland deelnamen, blijkt dat de meeste veehouders drie dagen behandelen in gevallen van milde (graad 1 en 2) masti- tis. De gemiddelde behandelingsduur was 3,5 dagen, met een spreiding van één dag tot zeven dagen. Dit lijkt gerelateerd aan de dag van klinische genezing; de dag dat volgens de veehouder de uier en de melk weer normaal zijn. De klinische genezing was gemiddeld op 3,7 dagen voor graad 1, en vier dagen voor graad 2 mastitis. De meeste injectoren hebben een vaste behandelingsduur op de bijsluiter van bijvoorbeeld twee dagen één injector, of drie injectoren om de 12 uur. Soms kan het nodig zijn om de behandeling te herhalen. In deze veldstudie werd een eerstekeusin- jector gebruikt met een flexibele behande- lingsduur van drie tot vijf dagen. Uit de veldstudie blijkt dat circa 90% van de mastitisgevallen een milde graad 1 of 2 mastitis betreft. Hiervoor is een eerste- keusmiddel voorgeschreven. In 80% van deze gevallen bleek na bacteriologisch


Gebruik van een pijnstiller bij mastitis zou volgens Boehringer Ingelheim standaard procedure moeten zijn.


onderzoek de aangetoonde verwekker een kiem te zijn, die goed gevoelig is voor eer- stekeusmiddelen. Van milde mastitisgeval- len, die met een eerstekeusinjector waren behandeld, was 81% klinisch genezen, en dus is er geen excuus meer om alleen breedwerkende tweedekeusmiddelen bij mastitis in te zetten, want in veel gevallen is een eerstekeus minstens zo effectief. Boehringer Ingelheim benadrukt dat


vooral de individuele koe, de ernst van de mastitis en de verwekker bepalen of be- handeling nodig is en wat dan de beste be- handeling voor haar is. Dit alles binnen de kaders van het bedrijfsbehandelplan en de bijsluiters. Volgens Boehringer Ingelheim is het altijd aan te raden een pijnstiller in te zetten, want elke mastitis is pijnlijk en gebruik van een pijnstiller draagt bij aan herstel en genezing.


Meer beweiden leidt tot minder eiwitaanvoer uit krachtvoer


Door 15% meer bewei- ding is de aanvoer van eiwit uit krachtvoer met 8% afgenomen.


Deelnemers van de vereniging Vruchtbare Kringloop Achter- hoek en Liemers (VKA) hebben in 2019 hun koeien 15% meer weidegang kunnen bieden. De combinatie van minder snijmais in het rantsoen, een eiwitrijkere graskuil en het aanbod van eiwit uit vers gras heeft ertoe geleid dat er minder eiwitaanvulling uit krachtvoer nodig was. Het gemiddelde ruweiwitgehalte in krachtvoer van de 284 deelnemers van VKA


30


daalde van 195 naar 179 gram per kilo krachtvoer. In 2017 was dat nog 205 gram per kilo. Ger- jan Hilhorst, onderzoeker van De Marke, geeft aan dat de vee- houders in staat zijn geweest om op een goede manier te sturen op eiwitverlaging in het rantsoen met positief resultaat als gevolg.


Ammoniakemissie hoger De totale ammoniakemissie per bedrijf is met 2,5% geste- gen. Maar per hectare is de emissie gedaald door een toe- name in het areaal per bedrijf. Er zijn veel factoren van invloed op de ammoniakemissie, zoals de emissies die ontstaan bij bemesting, beweiding, mestop-


Meer uren weidegang zorgt voor meer opname van eiwit via vers gras, waardoor er minder eiwit aangekocht hoeft te worden via krachtvoer.


slag en stalsysteem. Ook het verlagen van het ruweiwitgehal- te in het rantsoen is een van de manieren om de ammoniak-


BOERDERIJ 105 — no. 40 (30 juni 2020)


emissie te laten dalen. Dat de totale emissie toch met 2,5% is gestegen, wordt onder meer verklaard uit de verhou- ding melkvee-jongvee op de bedrijven. De jongveebezetting daalde in de afgelopen jaren en dus wordt er verhoudingsgewijs meer melkvee op de bedrijven gehouden.


De melkproductie per koe is nagenoeg gelijk gebleven, maar de totaal geproduceerde melk per bedrijf nam wel toe. Dit zorgde voor een hogere totaal opname van ruw eiwit en bij een gelijkblijvend eiwitgehalte in de melk resulteert dat uitein- delijk in een hogere stikstofex- cretie en een hogere bron voor emissie.


FOTO: WICK NATZIJL


FOTO: MARK PASVEER


Page 1  |  Page 2  |  Page 3  |  Page 4  |  Page 5  |  Page 6  |  Page 7  |  Page 8  |  Page 9  |  Page 10  |  Page 11  |  Page 12  |  Page 13  |  Page 14  |  Page 15  |  Page 16  |  Page 17  |  Page 18  |  Page 19  |  Page 20  |  Page 21  |  Page 22  |  Page 23  |  Page 24  |  Page 25  |  Page 26  |  Page 27  |  Page 28  |  Page 29  |  Page 30  |  Page 31  |  Page 32  |  Page 33  |  Page 34  |  Page 35  |  Page 36  |  Page 37  |  Page 38  |  Page 39  |  Page 40  |  Page 41  |  Page 42  |  Page 43  |  Page 44  |  Page 45  |  Page 46  |  Page 47  |  Page 48  |  Page 49  |  Page 50  |  Page 51  |  Page 52  |  Page 53  |  Page 54  |  Page 55  |  Page 56  |  Page 57  |  Page 58  |  Page 59  |  Page 60  |  Page 61  |  Page 62  |  Page 63  |  Page 64  |  Page 65  |  Page 66  |  Page 67  |  Page 68  |  Page 69  |  Page 70  |  Page 71  |  Page 72  |  Page 73  |  Page 74  |  Page 75  |  Page 76