REPORTAGE VOLLEGROND ▶▶▶
dens de teelt strooien we stikstof bij met bio- logische mestkorrels, tenminste als dat nodig is. We willen een rustige, constante groei, dan heb je de minste kans op ziekten of plagen.” Onderdeel van die visie is ook de grondbewer- king. Die voert Bos traditiegetrouw in het na- jaar uit, met een gewone ploeg. “Voor deze grond is dat toch het beste. Dan krijgt de grond mooi de tijd om door te vriezen en dat is goed voor de structuur. Wel ploegen we niet heel diep, we zitten op 17 centimeter. Dat is dan weer diep genoeg om gewasresten onder te werken en ook het onkruid aan te pakken. Dat kunnen waardplanten voor ziekten zijn, die moeten de winter dus niet overleven.” In het voorjaar voert hij dan nog een bewerking uit met een frontfrees voorop de trekker. Dat gaat in één werkgang met het planten. En dan is er nog de ruime vruchtwisseling die bijdraagt aan het zo laag mogelijk houden van de ziektedruk. “Bij spruitkool houden we 1:5 aan, bij de andere gewassen 1:10. Dat is dus heel ruim en we hebben veel percelen, dus we kunnen veel wisselen. Ook staat op ongeveer de helft van onze grond een groen- bemester, na een teelt zaaien we een graskla- vermengsel of een mengsel van wikke en haver in. Dat is goed voor de organische stof- voorziening en het mag duidelijk zijn dat die heel belangrijk is voor de structuur, maar ook voor bijvoorbeeld het vochthoudend vermo-
Frank Bos: “Om de hoeveelheid trips vast te stellen en het effect van de roofmijten, werken we met gele plakvallen. We willen kijken welke roofmijt het beste voldoet in spruitkool.”
gen van de grond. Daarom dienen we op een derde van onze percelen in het najaar ook na- tuurcompost toe. In de basis moet het ge- woon kloppen en dat is wat wij op deze ma- nier bereiken. Eigenlijk is het de basis zoals we die kennen vanuit de historie. Ik geloof ook niet in al die middelen die zeggen de bodem
te verbeteren of de plant te versterken. Er zul- len er best tussen zitten die een werking heb- ben, maar je hebt ze niet nodig als je de basis op orde hebt.” Tenslotte speelt de rassenkeuze een belangrij- ke rol. “We telen Divino, Nautic, Heymelis en Martinus. Zeker Nautic en Martinus zijn rassen die goed passen in de biologische teelt. Hey- melis is nog vrij nieuw, daar willen we erva- ring mee opdoen.”
Frank Bos kiest niet voor akkerranden. “Met akkerranden lok je onder andere wel sluipwes- pen, want die hebben nectar nodig, maar je lokt ook trips. Ik doe het daarom niet.”
30 ▶GROENTEN & FRUIT | 13 september 2019
Schoffelen met perslucht Binnen het project wordt uiteraard niet alleen gekeken naar het effect van roofmijten op trips, maar naar de aanpak van alle insecten en schimmels die passen in de biologische teelt- wijze. Eén daarvan is het schoffelen (met pers- lucht) en de mechanische onkruidbestrijding. Bos pakt het onkruid aan door drie keer te schoffelen, drie keer te wied-eggen en een keer aanaarden. “Dat is intensief, maar onze schoffel is 6 meter breed en de wied-eg 13,5 meter. Dat schiet dus lekker op.” Over het schoffelen met perslucht is hij enthousiast. “Ja, dat heeft zeker een groot effect op de druk van koolvlieg. Je blaast op deze manier rond de plantvoet veel eitjes weg. Eenmaal weggebla- zen liggen de eitjes bovenop de grond en dro- gen mooi uit”, besluit Bos.
FOTO: TON KARSTERMANS FOTOGRAFIE
FOTO: STAN VERSTEGEN
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48