949 | WEEK 44-45 28 OKTOBER 2020
TOENEMENDE REGELGEVING, GROEIEND AANTAL WINDMOLENGEBIEDEN EN CORONACRISIS
Ondanks alles geniet garnalenvisser Harmen Visser van zijn vrije vissersbestaan
en de windmolengebieden worden steeds groter. Ze zetten die molens precies op paai- plekken, belangrijke gebieden voor een vis- ser omdat vissen en garnalen zich hier voort- planten.” Harmen spreekt ook over het Noordzeeakkoord, dat afspraken bevat tussen het rijk, natuurorganisaties en het bedrijfsle- ven over de inrichting van de Noordzee met een groeiend aantal windparken en gesloten natuurgebieden. Dit akkoord betekent uit- eindelijk ook weer minder ruimte om te vis- sen. “Al die regelgeving maakt het werk min- der leuk maar we vinden onze weg er ook wel weer in.”
Corona Momenteel is het niet alleen de regelgeving die de visserij tegenwerkt. Ook het corona- virus zorgt voor tegenvallende inkomsten. Momenteel mag er maar een maximum aan- tal kilo’s garnalen gelost worden, onder ande- re omdat de pelcapaciteit heel beperkt is als gevolg van de coronamaatregelen in de pel- centra in Marokko. “We mogen nu zo’n 4500 kilo lossen, normaal kunnen we max 7000 kilo kwijt op de ST-4. Soms lossen we tussendoor omdat we redelijk dichtbij de haven liggen. Het hoogste aantal kilo’s dat we ooit hebben gehaald ligt op 9400 kilo, dat halen we heel soms. Nu ook de horeca dicht is, kunnen we minder aanvoeren. Als er geen corona was, hadden we een mooi jaar gehad. Voor het co- ronatijdperk bedroeg de prijs van een kilo ongepelde garnalen 5,50 euro. Nu is dit nog maar 2,50 a 2,80 euro.” Volgens Harmen moet het zo zeker geen twee jaar doorgaan. “Dan redden we het niet.”
Harmen Visser op de ST-4.
WARNS De vrijheid van op het water zijn, de spanning als de netten worden opge- haald om te kijken wat de vangst is; garna- lenvisser Harmen Visser (32) zou niets an- ders willen doen. De visserij is volgens hem een leefwijze. “Als je er niet mee bent opge- groeid is het waarschijnlijk moeilijk te leren”. Regelgeving, het groeiende aantal windmo- lengebieden waar hij niet meer mag komen en nu ook de coronacrisis maken het hem niet makkelijk. Toch denkt Harmen dat de visserij blijſt bestaan. “Toen mijn opa stopte en er steeds meer regelgeving kwam, werd er al gevreesd voor de visserij. Nu zijn we dertig jaar verder en we vissen nog steeds.”
SANNE VERHOEFF
Elke zondagavond, zo rond 21.15 uur, stapt Harmen in de auto. Hij verlaat zijn huis in Warns, pikt zijn collega (een achterneef) op en rijdt naar Stavoren. Hier stapt hij aan boord van de ST-4. Rond 22.00 uur vertrekken ze van- uit de haven om rond middernacht de sluis bij Kornwerderzand te passeren. “Middernacht ben ik op de Waddenzee en dan begint het vissen. Hier begint ook het gevoel van vrij- heid, waar gaan we deze keer beginnen? We beslissen puur op gevoel, is het springtij of doodtij? Waar gaan we heen? Vaak beginnen we bij Terschelling, we vissen vrij veel op de Noordzee boven Terschelling en Ameland. Van Denemarken tot aan de Belgische kust mo- gen we vissen, in de winter zitten we veel in Denemarken omdat de garnalen daar de die- pere wateren opzoeken.”
Generatie op generatie De visserij is Harmen met de paplepel in- gegoten. “Het is van generatie op generatie doorgegeven binnen onze familie. Mijn opa, mijn vader; ze hebben beiden gevist. Het zit in de familie, niemand heeſt ooit iets anders
gedaan. Mijn oom had een IJsselmeerschip, hij viste in de zomer paling en in de winter snoekbaars. In vakanties en op vrije dagen ging ik al met hem mee, ik heb nooit een an- der bijbaantje gehad”, vertelt Harmen. Zelf twijfelde hij dan ook niet over zijn toekomst. Harmen wilde visser worden. Op zijn veer- tiende ging hij daarom naar de Visserijschool op Urk, waar hij doordeweeks woonde bij een kostgezin. Zelf groeide hij op in de buurt van Stavoren. Tegenwoordig woont hij samen met zijn vrouw en twee jonge kinderen in Warns. “In drieënhalf jaar had ik al mijn papieren, al ben ik niet eens zoveel op school geweest. Ik was eigenlijk een slechte leerling”, vertelt de visser met een lach. “Ik werkte liever in de praktijk en ik was dan ook veel te vinden in de nettenschuur van een nettenmaker.” Na zijn opleiding wilde Harmen eigenlijk gelijk gaan vissen. Op advies van zijn vader heeſt hij ech- ter nog de opleiding tot stuurman en/of werk- tuigkundige in Zwolle gevolgd. “Ik heb het gedaan, maar wel met tegenzin.” Op zijn acht- tiende, nog tijdens zijn studie in Zwolle, be- gon Harmen met vissen op de UK-190 van J. van Dokkum. Omdat hij voor zijn opleiding in Zwolle ook stage moest lopen om zijn scheep- vaartpapieren te behalen, maakte hij een uit- stapje naar de baggerij. “In die tijd ging het ook niet goed in de visserij. Ik heb stage gelo- pen bij een baggerbedrijf, waar ik daarna nog drie jaar heb gewerkt.”
Starterssubsidie Na het afronden van zijn studie en zijn tijd bij het baggerbedrijf, kwam Harmen weer bij zijn oude baas, Van Dokkum, terecht om op de UK-12 te gaan varen. In augustus 2016 be- gon hij voor zichzelf. Met hulp van de star- terssubsidie voor jonge vissers kocht hij een schip en in september van datzelfde jaar ging hij hiermee varen. Het schip, oorspronke- lijk de UK-253, doopte hij om tot ST-4. “Het
nummer van mijn opa.” De starterssubsidie mocht Harmen alleen gebruiken voor de aan- schaf van het schip. “Een mooie bijkomstig- heid, ik was al bij zo’n drie a vier verschillende banken geweest. Uiteindelijk heb ik een finan- cier gevonden. Ik kreeg 75.000 euro subsidie. Eigenlijk is het schip niet eens het kostbaarst, het zijn met name de vergunningen die een visser veel geld kosten. Zo wil ik bijvoorbeeld op de Waddenzee vissen, daar heb ik een Wadvergunning voor nodig.”
Regelgeving Het vissen geeſt Harmen een vrij gevoel. “Ook al worden we soms tegengewerkt door alle regelgeving. Er zijn bijvoorbeeld veel natuur- reservaten waar we niet meer mogen vissen
Ondanks deze tegenslagen blijſt Harmen het heerlijk vinden om eigen baas te zijn en te werken op zee. Ook al slaapt hij doorde- weeks nooit langer dan een uur achter elkaar. “Ik slaap zo’n drie uur per nacht. De garnalen worden aan boord gekookt en gesorteerd, dat doet degene die aan dek staat. Het is een leef- wijze en als je er niet mee bent opgegroeid, kies je hier niet snel voor.” Voor Harmen en zijn collega is het een sport geworden om zo- veel mogelijk garnalen te vangen. “Elke twee uur halen we de netten op en altijd blijſt het een verassing, hoeveel zit erin? Dit maakt het werk ook spannend. Ook mooi is het weer om ons heen, ik zie de zon opkomen en vaak ook weer ondergaan; je maakt alles mee.” In de toekomst kan Harmen vanzelfsprekend niet kijken. De visserij blijſt, dat weet hij zeker. “Ik hoop dat wij ook blijven.” Aan de garnaal zal het in ieder geval niet liggen. “Ze worden van- wege hun massale aanwezigheid ook wel het onkruid van de zee genoemd. En je weet wat ze zeggen… onkruid vergaat niet.”
47
De ST-4.
Page 1 |
Page 2 |
Page 3 |
Page 4 |
Page 5 |
Page 6 |
Page 7 |
Page 8 |
Page 9 |
Page 10 |
Page 11 |
Page 12 |
Page 13 |
Page 14 |
Page 15 |
Page 16 |
Page 17 |
Page 18 |
Page 19 |
Page 20 |
Page 21 |
Page 22 |
Page 23 |
Page 24 |
Page 25 |
Page 26 |
Page 27 |
Page 28 |
Page 29 |
Page 30 |
Page 31 |
Page 32 |
Page 33 |
Page 34 |
Page 35 |
Page 36 |
Page 37 |
Page 38 |
Page 39 |
Page 40 |
Page 41 |
Page 42 |
Page 43 |
Page 44 |
Page 45 |
Page 46 |
Page 47 |
Page 48